kasblog.punt.nl
De kamer die K. binnen liep was in verhouding met de gang die ernaar toe had geleid opvallend klein. In het midden van de kamer stond een ronde marmeren tafel. In een hoek zat een man in een luie stoel. Hij had een donkerrode kamerjas aan en rookte een sigaar. K. kon zijn gezicht niet goed zien. De man zat net buiten de lichtcirkel die de felle spot boven de tafel veroorzaakte. K. bleef in de deuropening staan, wachtend tot de man iets zou gaan zeggen.
 
Wilfried was visverkoper omdat zijn vader, die ook Wilfried heette, ook visverkoper was. Zes dagen in de week stond hij met zijn kar in de Mercuriusstraat. Soms alleen, soms met zijn vrouw Wilma en soms met zijn broeder Manfred. Dat Manfred en Wilma een affaire met elkaar hadden wist Wilfried best, maar hij liet niets merken. Maar de viskar was zijn viskar. Manfred had hem niet geërfd en Wilfried wel. Omdat Wilfried vishanden had en Manfred niet. Dat had Wilfried senior goed gezien.
 
Opeens begon de man te zingen. ''Sjiman sjiman there she goes, sjiman sjiman with eyes of gold.'' K. dacht aan Ted in de koffer. Hij keek naar de man in de donkerrode kamerjas, de man die hij vermoorden moest, maar kon nog steeds zijn gezicht niet goed zien. Hij kon wel mooi zingen, zeg. De man onderbrak zijn melodie met een rochelend geluid. Toen vroeg hij: ''Dus u bent de heer Bollebroek?'' ''Ja,'' antwoordde K., ''dat ben ik. En hoe heet u?'' ''Mijn naam is Manfred'' zei de man. Onder de marmeren tafel kwam een kat gelopen.
 
-To be continued...- 
Lees meer...
Naast de deur van het huis hing een kastje dat wel op een pinautomaat leek. Peter toetste een code in en de deur zwaaide wagenwijd open. K. keek een reusachtige gang binnen. Aan het plafond hingen twee gouden kroonluchters gevuld met kaarsen. 'Na u' zei Peter en liet zijn hand van K.'s schouder glijden. K. stapte naar binnen en zag dat de gehele rechterkant van de gang bedekt werd door een donkerrood gordijn. Aan de linkermuur waren tientallen kapstokjes bevestigd. 'Hangt u daar uw jas maar op, meneer Bollebroek' zei Peter achter hem. K. ontdeed zich van zijn jas en hing het op. Maar aangezien aan de rest van de vele kapstokken niets hing, bekroop hem het gevoel dat hij iets deed dat eigenlijk niet mocht.
 
Op een van zijn wandeltochten door Luxemburg, op zoek naar het huis van zijn tante Pé, bedacht K. het verhaal van De Dichter. Het zou nog ruim twintig jaar duren voordat hij het verhaal als roman uit zou gaan werken. In die tijd wist hij nog niets van het bestaan van sudoku's en ook had hij nog nooit een licht-erotisch-getinte film gezien. Toch was hij dezelfde K. als wie hij nu was. Iemand die niet graag verdwaalde.
 
K. liep de lange gang door. Hij voelde zich naakt zonder zijn jas, maar in dit huis was het aangenaam warm. En het rook er naar speculaas en rozemarijn. Aan het eind van de gang was een deur, een kleine deur. In verhouding met de gang belachelijk klein zelfs. De deur stond op een kier. Door de kier kwam elektrisch licht naar binnen. 'Ga maar naar binnen', zei Peter. 'Daar binnen wacht iemand op u. En hij wacht al erg lang.' Maar toen K. achter zich keek was van Peter geen spoor meer te bekennen.
 
-To be continued...-  
 
 
 
Lees meer...   (1 reactie)
K. keek naar de bruine aktentas. ''Zit Ted daarin?'' vroeg hij onthutst. ''Min of meer', zei de man met de gifgroene stropdas. ''Maar hoe is dat nou mogelijk?'', zei K. ''Hoe past zo'n reus van een kerel nou in hemelsnaam in zo'n klein tassie?'' ''Soms is de som groter dan de delen,'' zei Peter, ''maar laten we nu niet op de zaken vooruit gaan lopen. Ik wil je eerst vertellen over het genootschap van de onmogelijke legpuzzel. En daarna moet jij iets voor me doen''. ''Wat moet ik dan doen?'' vroeg K. en hij moest opeens aan de verdwenen haringkar denken. ''Laten we niet op de zaken vooruit gaan lopen. Eerst wil ik je iets vertellen over het genootschap van de onmogelijke legpuzzel.''
 
Peter was zo aardig geweest K.'s volledige jenever-rekening te betalen. Het meisje aan de bar liet een boer toen zij het geld van de bar graaide. Ze zei: ''Excuses. Ik heb veel cola gedronken vandaag. Daar moet het van komen.'' Buiten sneeuwde het. Het was koud en donker. Kinderen liepen langs de deuren met zelfgemaakte lampionnen en zongen eeuwenoude liederen. Peter en K. liepen naast elkaar en zeiden niets. De wandeling leek wel uren te duren. Dan weer een straat rechts, dan weer een straat links. Dan weer een stuk door het park. K. had geen idee waar hij nu was. Hij kende de stad op zijn duimpje, maar hier was hij nog nooit geweest.
 
Ze liepen voorbij een oud schoolgebouw en kwamen op een verlaten industrieterrein terecht. Het was opgehouden met sneeuwen maar een ijskoude wind sneed door K.'s winterjack heen. In de verte scheen een fel licht. Toen ze dichterbij kwamen zag K. dat het een huis was dat van onder tot boven was opgetuigd met neurotisch knipperende kerstlichtjes. Het was een vrijstaand nieuwbouwhuis dat vreemd contrasteerde met de vervallen school en fabrieksgebouwen aan de andere kant van het braakliggende land. Alsof iemand hier met grootse plannen en enthousiaste moed begonnen was met bouwen, maar het na een huis reeds opgegeven had. Alsof dit huis hier niet echt stond, maar het slechts een toekomstig idee uit het verleden betrof. ''Hier woon ik'', zei Peter. Zijn stem leek van mijlenver te komen, maar zijn arm rustte op K.'s schouder.
 
-To be continued...-   
Lees meer...   (2 reacties)
K. sprak nooit een woord met iemand in De Vrolijke Smurf. Hij stond in zijn hoek en ledigde zijn glazen. Alleen met Ted praatte hij weleens wat uit beleefdheid. Natuurlijk kende hij de andere stamgasten wel en kenden zij hem. Hij ving soms wat op van hun gesprekken, gesprekken die altijd weer over andere mensen gingen, mensen die hij indirect dus ook kende. Ze betrokken hem nooit in die gesprekken, ze lieten hem altijd met rust. Wel knikten ze soms naar hem en dan knikte hij terug, bij wijze van groet of afscheid. Dit was allemaal prima voor K., hij voelde zich thuis op deze plek. Maar vandaag was alles anders. Want niet alleen was Ted afwezig, als hij om zich heen keek zag hij geen enkel bekend gezicht. Het voelde alsof hij in een heel andere kroeg beland was. Ook de muziek die werd gedraaid was anders. In plaats van de gebruikelijke smartlappen en levensliederen stond er nu iets heel moderns op, gezongen in het Frans. Maar K. kende geen Frans.

K. was maar een keer in zijn leven in het buitenland geweest. Hij was twaalf en zijn ouders dachten dat het goed voor zijn ontwikkeling zou zijn als hij een paar nachten zou logeren bij zijn tante Pé in Luxemburg. Hij had tante Pé nooit eerder ontmoet. Hij had gehoopt dat zij een lieve vrouw zou zijn. De waarheid bleek echter anders. Ze was de hele tijd druk met zaken en had geen aandacht voor hem. Hij moest zichzelf maar zien te vermaken. Hij liep door de brede straten en keek naar de grote gebouwen. Soms ging hij op een terras zitten en kocht een warme chocolademelk van het geld dat zijn vader hem had toegestopt. Hij keek naar de mensen die de grote gebouwen in en uit liepen en begreep ze niet. Als hij terug wilde lopen naar tante Pé's appartement raakte hij altijd verdwaald. Hij kon niemand de weg vragen, want iedereen sprak hier een vreemde taal. Uiteindelijk, als hij de moed al helemaal had opgegeven, bleek hij in de straat te staan waar hij zijn moest. Maar het was dan al erg laat en tante Pé was heel erg boos op hem. Zijn avondeten had ze over de bakjes van haar vijf katten verdeeld. 's Nachts kroop K. zachtjes naar de keuken om te kijken of er nog wat in die bakjes zat. Daar werd hij dan flink gekrabd en gebeten door de katten. Toen K. terug kwam van zijn vakantie in Luxemburg was hij zo erg vermagerd dat zijn ouders hem amper herkenden.

''Zeg, bent u niet K. Bollebroek?'' K. keek geschrokken naar de persoon die een hand op zijn schouder had gelegd. Het was een lange kalende man met een zwart pak en een gifgroene stropdas. Hij hield een aktentas in zijn hand. K. had deze man nooit eerder in De Vrolijke Smurf gezien. ''Dat klopt'', zei K. ''Wie bent u dan?'' K. had het gevoel dat hij een stuk moest opvoeren zonder ooit het script te hebben ingezien. ''Peter'', zei de man, die voorzichtig om zich heen keek om te zien of niemand hem kon horen. ''Ik hoorde u net vragen naar Ted''. ''Dat klopt. Weet u waar hij is?'' K. zette zijn glas aan zijn mond om de laatste druppel jenever tot zich te nemen. ''Dat weet ik maar al te best,'' zei Peter en wees veelbetekenend naar de aktentas.
 
-To be continued...- 
 
          
Lees meer...   (1 reactie)
''Van de dichter die niet moorden kon'' was de werktitel van het boek dat alle andere boeken, met uitzondering van het befaamde Woudlopershandboek, overbodig zou moeten maken. K. werkte er al een vol jaar aan en zoals het er nu naar uitzag zou hij er zeker nóg een jaar aan moeten schaven alvorens het als voltooid kon worden beschouwd. Maar dan had je ook wat. In de tussentijd verdiende K. de kost met het schrijven van sudoki voor het gratis dagblad Metro, daar ging meestal zijn halve dag aan op. De rest van de dag besteedde K. aan het bereiden van de avondmaaltijd (meestal een eenvoudige doch voedzame stamppot) en het bekijken van licht-erotisch-getinte films. Laat op de avond zetelde hij zich dan weer voor zijn laptop, om onder het toeziend oog van de straatlantaarn naast zijn raam de duizelingwekkende avonturen van zijn protagonist 'De Dichter' te vervolgen.

Zo ging het meestal, maar niet altijd. Soms was hij langer bezig met het in elkaar zetten van de dagelijkse sudoku dan gepland en schoten daardoor de avondmaaltijd en de licht-erotisch-getinte film erbij in. Dan had K. ook weinig inspiratie meer om aan zijn roman te werken. In plaats daarvan struinde hij over de straten, kocht onderwerg een zak patat en belandde vervolgens in zijn stamcafé ''De Vrolijke Smurf'', alwaar hij op zijn vaste plek - tussen de toog en de jukebox, een hoek waar precies één persoon kon staan - de ene jenever na de andere in zijn keelgat liet verdwijnen. Het huilen stond hem dan altijd nader dan het lachen, want hij dacht aan De Dichter en hoe hij hem deze dag verlaten had. De volgende dag probeerde K. dan tweemaal zoveel te schrijven. Maar daarvoor moest hij wel de deadline voor zijn sudoku halen onder druk van een zwaar bonzend hoofd. Dat was dan de straf die hij verdiende, de straf die hij lijdzaam onderging.
 
Toch weerhield het hem er niet van om een volgende keer dat zijn dagindeling niet naar behoren liep, weer naar De Vrolijke Smurf af te zakken. Op de avond dat K. eindelijk het geheim van de gestolen haringkar had willen ontrafelen - een zaak waar De Dichter al vanaf de eerste pagina achteraan had gezeten en dus een cruciaal moment vormde voor de ontknoping van het verhaal - was het weer zover. Hij had een strenge e-mail van zijn hoofredacteur ontvangen; er waren namelijk brieven binnengekomen van verontwaardigde Metro-lezers, omdat de sudoku van gisteren niet klopte. Dat gebeurde inderdaad zo nu en dan. Het schrijven van een sudoku vergt absolute aandacht en concentratie. Eén foutje en de hele puzzel klopt niet meer. Maar K. had met zijn hoofd bij de ontvoering van de visverkoper gezeten.
 
Zodra K. De Vrolijke Smurf binnenstapte zag hij dat er iets niet klopte. Iets was anders dan normaal. Want waar was de goedlachse en breed besnorde barman Ted? K. had hem nog nooit niet gezien hier. Hij liep naar zijn vaste plek en wenkte het meisje dat achter de bar stond. Ze was lang en mager en had blond krullend haar. Eerder het type voor achter een loket dan voor achter de tap. ''Het bekende recept,'' zou K. nu niet kunnen zeggen. Zij kende hem immers niet. Daarom zei hij maar: ''een jonge met ijs graag''. Zij schonk een glas in en zette het voor hem neer. ''Dat is dan twee euro vijftig'', zei ze met een telefoonstem waar geen speld tussen te krijgen viel. ''Maar ik heb hier een rekening lopen, op de naam Bollebroek. Ted kent mij goed, ik ben een vaste gast. Is Tedje ziek?''
 
Het meisje keek K. met glazige ogen aan. ''Sorry, meneer Bollebroek'' zei ze met onvaste stem en ze draaide zich om.
 
-To be continued...-
 
 
Lees meer...
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl