kasblog.punt.nl
Mijn vriendin werkt in een boekwinkel. Een paar dagen in de week komt ze thuis met een stapel boeken. We hebben momenteel te kampen met serieus ruimtegebrek vanwege al dit leesvoer. Het meubilair is de deur uitgezet en de verzamelde werken van Proust en Plato dienen nu als stoelen. Misschien dat deze staat van ons huishouden mij extra prikkelbaar maakte toen ik erachter kwam dat mijn vriendin in de nieuwe Hornby begonnen was. Een boek dat ze voor de verandering op mijn verzoek uit haar winkel had meegenomen. [Lees verder op hard//hoofd]
Lees meer...
'IJzersterk geschreven' vond Matthijs van Nieuwkerk ervan. 'Meer dan 60.000 exemplaren van verkocht.' 'Winnaar Gouden Uil.' Waarschijnlijk weet u al waar ik het over heb. Alleen maar nette mensen, de debuutroman van Robert Vuijsje die voor zoveel controverse zorgde. Die controverse vond ik best vermakelijk, maar ik was niet van plan dat boek te gaan lezen. Ik heb wel iets beters te doen! Ik moet goddomme Oorlog & Vrede nog lezen, ik bedoel maar. Aan mijn lijf geen polonaise, zou ik willen zeggen. Maar elke dag dat ik door de stad fiets word ik om zo'n beetje elke straathoek geconfronteerd met die irritant kuttekop van Vuijsje. Dat hij zo'n stom hoofd heeft, daar kan hij natuurlijk ook niets aan doen. En het is natuurlijk leuk dat er voor een roman zoveel reclame wordt gemaakt. Maar op een gegeven moment had ik wel zoiets van: 'Tja, nu kan ik ook net zo goed dat boek gaan lezen. Van die gast kom ik voorlopig toch niet meer af.'
 
En eerlijk gezegd dacht ik dat het boek wel best goed zou kunnen zijn. Immers, om controverses te veroorzaken, juryprijzen te winnen en als zoete broodjes over de toonbank te gaan, moeten er toch bepaalde kwaliteiten aan iets ten grondslag liggen. Noem me maar naïef. Laat ik vooropstellen dat het thema van de roman mij wel aansprak: rijkeluis-joodje uit Amsterdam-Zuid zoekt zijn geilheil bij Big Momma's met gouden tanden op veertien hoog-achter in de Bijlmermeer. Ja, daar wil ik natuurlijk best een boek over lezen. Daar zou veel moois in kunnen zitten. Daar zou een blikje poëzie in open getrokken kunnen worden van heb ik jou daar. Helaas is de roman niets meer dan een fletse uitwerking van een aardig idee. Het probleem is ten eerste dat Vuijsje helemaal niet schrijven kan. En een beetje kunnen schrijven lijkt me toch wel enigszins belangrijk voor een schrijver. Ten tweede lijkt hij helemaal geen idee te hebben wat hij nou precies met het boek wil. Laat ik beide punten even toelichten.
 
De zinnen in Alleen maar nette mensen behoren tot het lelijkste wat ooit in de Nederlandstalige literatuur aan het papier is toevertrouwd. En dan heb ik het dus niet over lelijk in de goede zin. Ik vraag me af of hier überhaupt een redacteur overheen is gegaan, maar misschien was het in eerste instantie nóg veel slechter.
Een voorbeeld: ''Omdat ik 'shuffle songs' had gedaan werden alle liedjes door elkaar heen gespeeld.'' (p. 34)
Er zijn vele dingen mis met deze zin. Omdat ik 'shuffle songs' had gedaan? Omdat ik mijn iPod op shuffle had gezet! Gezet in plaats van gedaan dus en weg met die stomme aanhalingstekens. Maar het vervelendste van zo'n zin als dit (en de roman staat er vol mee) is dat iedereen die weet hoe een iPod werkt, de uitleg wat 'shuffle' betekent als zeer irritant zal ervaren en dat iedereen die níet bekend is met het fenomeen al deze informatie sowieso niet bijzonder boeiend vindt. Je voelt je door deze zin óf te jong óf te oud en dus per definitie buitengesloten.
 
Een tweede voorbeeld (over zijn jeugdliefde):
''Op de middelbare school deden we alles samen. Samen huiswerk maken, samen stiekem softdrugssigaretten blowen uit het raam, samen op vakantie naar het tweede huis van haar ouders aan het Meer van Genève - de dingen die alle middelbare scholieren doen.''
(p. 24 - 25)
Laat ik beginnen met dat 'stiekem softdrugssigaretten blowen'. Ik vind het woord 'softdrugssigaret' nog wel aandoenlijk. Maar waarom kunnen die niet gewoon stiekem uit het raam geróókt worden? Waarom moet het woord 'blowen' er nog bij? Omdat de kans bestaat dat het anders nog iemand zou kunnen ontgaan dat hier behoorlijk stoute dingen worden gedaan? Dan vervolgens de uitspraak dat alle middelbare scholieren op vakantie weleens naar het tweede huis van hun schoonouders aan het Meer van Genève gaan. Dit lijkt een ironische opmerking te zijn, passend bij het Amsterdam Zuid-milieu dat Vuijsje vol ergernis in het boek probeert af te schilderen. En wellicht ís het ook ironisch bedoeld (ik hoop het maar), maar aangezien elke vorm van ironie in de rest van het boek geheel lijkt te ontbreken stoort deze tussen neus en lippen gemaakte opmerking enorm. Of ben ik nou zo'n mierenneuker?
 
Dan mijn tweede punt van ergernis wat dit boek betreft. Want wat wil Vuijsje nou eigenlijk met deze roman zeggen? Laat ik vooropstellen dat hij van mij helemaal niets hóeft te zeggen. Als het gewoon een verslagje was geweest van zijn belevingen in de seks-jungle, had ik het ook prima gevonden. Maar Vuijsje pretendeert meer te vertellen. Zo ligt er om de paar pagina's wel ergens 'toevallig' een krant open en gaat de ik-persoon ons vertellen wat daarin staat. Bijvoorbeeld op pagina 65:
''Rowanda had een hele stapel gekopieerde Nigeriaanse dvd's. [...] Ernaast lag de Metro. Op de voorpagina stond:
TEREURDREIGING NEDERLANDSE MAROKKANEN
Daaronder stond in honderd woorden: een geschiedenis van de Marokkaanse migratie naar Nederland, de problematiek die daarop volgde, een verklaring voor de Marokkaanse lust tot terreur, een overzicht van de Marokkaanse terroristengroepen in Nederland en een analyse van de bestrijdingsplannen die de dag ervoor in Den Haag waren aangekondigd.''
Daarna gaat Vuijsje weer lekker neuken.
Deze intermezzo's zijn wel een érg doorzichtig trucje om zijn vlakke lust-verhaal van een semi-geëngageerd randje te voorzien. Die 60.000 lezers moeten dan zeker denken: 'Wow, dit lekkere geile verhaal gaat blijkbaar ook nog ergens over.' Maar als Vuijsje daadwerkelijk iets over onze maatschappij van deze tijd had willen zeggen, zou hij niet zo laf moeten zijn om zich achter krantenartikelen te verschuilen. Óf hij had elke poging tot gelaagdheid naast zich neer moeten leggen en dan was dit wellicht nog een onderhoudend keukenmeidenromannetje geworden.
 
Het boek lang is de protagonist op zoek naar vrouwen die zo zwart mogelijk zijn, 'bounty's' wil hij niet, het liefst zijn ze nooit met een blanke in aanraking geweest, ze moeten nog zo dicht mogelijk bij de natuur staan, hij wil 'de eerste zijn die de poort openbreekt'. Dat is racistisch, maar wel eerlijk en dat mag in de literatuur. Tegelijk moeten die 'negerinnen' echter ook nog eens 'intellectueel' zijn. Vuijsje kan ons haarscherp het verschil tussen dyuka's en bakra's uitleggen, kabula en kaseko, lijkt dus behoorlijk 'streetwise' te zijn, maar doet vervolgens wél oprecht verbaasd als hij in de woning op tien hoog achter bij een twintigjarig schatje met cup 95F die de namen van haar drie kinderen op haar gouden tanden heeft getatoeërd geen boekenkast aantreft. Ja, wat wil die jongen nou? Erotisch kolonialisme of een Proust-clubje? Die tweestrijd zou interessant kunnen zijn, maar waar hij pagina's lang oreert over alle zwarte sub-culturen, gaat hij nergens in op het intellectuele aspect dat blijkbaar zo belangrijk voor hem is. Je kan dat toch niet constant noemen zonder er ook maar even op in te gaan? Mijn vermoeden is dat Vuijsje zelf, ondanks het milieu waar hij vandaan komt, nou niet bepaald een intellectueel persoon te noemen is. Dat geeft natuurlijk niet. Als hij maar zo intelligent was geweest dat zelf te doorzien en zijn authentieke en interessante verhaal aan een ghost-writer had toevertrouwd, iemand die weet dat een toegankelijke schrijfstijl niet gelijk hoeft te staan aan achterlijke lelijkheid, leegheid en domheid.
 
Alleen maar nette mensen is gewoon een ontzettend slecht boek. Ik kom voorlopig mijn deur niet meer uit.
Lees meer...   (3 reacties)
''Ik vind het een zwaktebod als de conversatie te snel over films gaat. Ik bedoel: films zijn meer voor het einde van de avond, als je echt niets meer te zeggen hebt. Ik weet niet wat het is, maar ik krijg altijd een hol gevoel onder in mijn maag wanneer mensen over films beginnen: het is of het buiten alweer donker wordt. Het ergst zijn de figuren die hele films navertellen, ze gaan er echt voor zitten, ze trekken er gerust een kwartier voor uit: een kwartier per film, bedoel ik dan. Het maakt ze niet wezenlijk uit of jij nog naar de betreffende film toe moet of hem allang hebt gezien, dat soort informatie slaan ze over, ze zitten al midden in de openingsscène.''
Herman Koch, Het diner
 
Er zit een grappige scene in het Vpro-programma Draadstaal waarin een man aan mensen die in de rij staan voor de bioscoop vertelt hoe de film die zij willen gaan zien afloopt. Hij schept er een sadistisch genoegen in alle plezier te bederven die de mensen van plan zijn te gaan hebben. Het is herkenbaar, hoe het plezier vergalt kan worden wanneer je van een verhaal al meer weet dan je zou willen weten. Zeker als het een film betreft waar alles om spanning draait. Helemaal funest is het met films die een zogenaamde 'plot-twist' bezitten; een ontknoping waardoor je het gehele verhaal met terugwerkende kracht in een ander daglicht ziet. Zo ken ik iemand die The Sixth Sense - een schoolvoorbeeld van zo'n spannende film met een onverwachtse twist - zag, terwijl iemand haar het hele verhaal al van tevoren verteld had. Tja, dat is natuurlijk eeuwig zonde. Je zal de film dan nooit meer kunnen beleven zoals-ie oorspronkelijk bedoeld is. Film-recensenten moeten natuurlijk altijd zoveel mogelijk hun best doen niet teveel te verklappen, zij mogen het kijkplezier van de potentiele bioscoopbezoeker niet bederven. Eigenlijk vind ik dat dat voor literaire besprekingen ook zou moeten gelden, maar daar lijkt men zich er minder van aan te trekken. Ik probeer altijd zoveel mogelijk informatie over een boek te vermijden voordat ik eraan ga beginnen. Achteraf lees ik de recensies wel terug, dan pas vind ik ze interessant. Zelfs als het helemaal geen spannend boek met een eventuele plotwending betreft, zelfs als het een boek is waar hoegenaamd niets in gebeurd, wil ik het zo onbevangen mogelijk kunnen lezen. Liefst wil ik zelfs niet weten of het boek positief dan wel negatief ontvangen is, al is het bijna ondoenlijk daaraan te ontkomen als je weleens een krant openslaat en onder de mensen komt. Ik wil geheel onbevangen aan een boek beginnen en dan zelf mijn opinie erover vormen, maar het is onvermijdelijk dat je toch al enigszins gekleurd bent voordat je het werk nog maar moet openslaan. Soms is het lastiger dan anders. In het geval van Het diner, de nieuwe roman van Herman Koch, was het gekkenwerk om de opinies te ontwijken. Er was namelijk een hele polemiek over het boek in de kranten ontstaan, die zelfs doorgevochten werd op televisie. En dan waren er ook nog eens allemaal mensen om mij heen die een mening over het boek hadden gevormd en daarover luidkeels in discussie gingen in mijn gezelschap, terwijl ik mijn handen heel hard tegen mijn oren drukte, wat een vreemd gezicht moet zijn geweest. En al die discussies gingen nou net over het plot, dat erg spannend zou zijn en waar - oh god! - een zekere twist in voor zou komen.

Met veel pijn en moeite was het me uiteindelijk toch goed gelukt om mij van de daadwerkelijke inhoud van het pandemonium af te sluiten en daar was ik behoorlijk trots op. Over het plot wist ik absoluut niets en daarom zou ik deze roman kunnen gaan lezen alsof niemand voor mij het ooit gelezen had. Dat dacht ik tenminsite heel even, in al mijn hoopvolle naïviteit. Want dat was natuurlijk helemaal niet het geval. Ik wist immers al dat er een zekere twist in het boek voor zou komen en de meningen daarover verdeeld waren. Ik wist dat er veel om dit boek te doen was. Ik wist dat ik het niet zomaar kon lezen en daarna naast mij neerleggen. Neen, ik zou ook een scherpe mening moeten gaan vormen en me dan heldhaftig in de discussie mengen. Al met al kon van het onbevangen lezen van dit boek onmogelijk sprake zijn.
 
En dan wilde ik ook nog eens, voordat ik nog maar een letter gelezen had, toch wel heel graag bij het kamp behoren dat het boek wél geweldig vond. Immers, Koch is altijd mijn favoriet bij Jiskefet geweest en het enige andere boek dat ik van hem gelezen heb (Red ons, Maria Montanelli, door mij eerder besproken op dit blog) vond ik briljant. Daarnaast behoorde mijn geliefde bij de nee-stemmers en dat helpt natuurlijk ook. Een stevige literaire polemiek in de slaapkamer op z'n tijd houdt je relatie spannend, zo is mij eens verteld.
 
Al met al vind ik Het diner dus een van de beste boeken die ik ooit gelezen heb! Hopelijk heb ik in deze recensie niet al teveel weggegeven van de inhoud van het boek, zodat u er tenminste nog een plezierige avond aan kan beleven.
Lees meer...
''In de deuropening stond de majoor met Lina, het meisje dat hij had gered uit de weeshuizen van de staat. Hij had zijn best gedaan, hij twijfelde er niet aan dat hij zijn best had gedaan. Er zat geen werkelijk verschil tussen wanhoop en machteloosheid, daarom pakte hij zijn wapen, hoewel hij wist dat hij het niet zou gebruiken, maar hij pakte het toch, terwijl hij het kind bleef vasthouden omdat hij niets anders had, en hij richtte het op zijn vrouw, voor wie hij een zwembad had gebouwd, voor wie hij de regels had overtreden, voor wie hij een kind had gered, voor wie hij Lina mee naar huis had gesleept, en riep: 'Dit is mijn operatie, Paloma, en ik zeg je: je blijft hier en je gaat van dit meisje houden! Jij gaat van dit meisje houden!'''
Arnon Grunberg, Onze oom
 
In De Groene Amsterdammer van 8 mei stond een nogal fel stuk van Henk Broers over het bejubelde schrijverschap van Arnon Grunberg. Aanleiding was de nominatie van Grunberg's meest recente roman Onze oom voor de Libris Literatuurprijs. Inmiddels weten we dat een ander boek die prijs gewonnen heeft, namelijk Godverdomse dagen op een godverdomse bol van de Vlaamse auteur Dimitri Verhulst. Over Verhulst heb ik eerder op dit blog geschreven (zie hier), maar zijn bekroonde roman moet ik nog lezen. Onze oom heb ik echter wel gelezen, tijdens mijn uitgebreid beschreven verblijf in Antwerpen. Grunberg volg ik al sinds ik zijn debuut Blauwe Maandagen op de middelbare school ontdekte en ik kan wel stellen dat hij tot mijn favoriete Nederlandstalige auteurs behoort. Toch was Onze oom geheel langs mij heen gegaan toen het in de zomer van 2008 uitkwam. Normaal koop ik een nieuwe Grunberg zodra het in de winkel ligt, wat dat betreft ben ik een echte fan. Hoe het komt dat deze roman aan mijn alziend oog was ontsnapt weet ik niet, misschien heeft het minder aandacht gekregen in de media dan Grunberg's andere boeken. Misschien dat Nederland een beetje Grunberg-moe begint te worden, misschien dat er een backlash bezig is tegen de ongrijpbare schrijver die steeds weer op ludieke wijze reclame voor zichzelf weet te maken en kinderachtige polemieken niet uit de weg gaat, wat natuurlijk ook een altijd handige vorm van reclame is. Het artikel van Broers lijkt hoe dan ook een heldhaftige poging te zijn het bewierookte fenomeen met een vlijmscherp mes te doorsteken. En niet het media-fenomeen Grunberg, dat zou ook te makkelijk en helemaal niet zo pijnlijk zijn. Immers, 'we vergeven hem al z'n gekke gedoe omdat hij zo'n groots schrijver is, toch?' Nee, Broers richt zich juist op die veronderstelde grootsheid. Hij is van mening dat Grunberg helemaal niet zo'n briljant stilist is als altijd wordt beweerd en vooral mooischrijverij bedrijft: 'Zó citeerbaar wil Grunberg zijn dat hij met levenswijsheid strooit alsof het snoepgoed is, terwijl het hier ook vooral de suggestie van diepzinnigheid is die het meeste werk doet.' Ook vindt hij dat de schrijver teveel analyseert door de mond van zijn personages, in plaats van de interpretaties aan de lezer over te laten. Voor mij was het enigszins beklemmend om dit artikel in De Groene te lezen. Want eigenlijk ben ik het met alle kritiek van Broers honderd procent eens. En toch blijft Grunberg een van mijn favoriete auteurs. Dat wringt.
 
Het artikel van Broers had ik nog niet gelezen toen ik mij in Antwerpen door Onze oom heen worstelde. Een makkelijke bevalling was het lezen van dat vuistdikke boek zeker niet. Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van een niet nader genoemde oorlog in een niet nader genoemd (maar vermoedelijk Zuid-Amerikaans) land. Ene majoor Anthony leidt een operatie waarbij een verdacht echtpaar per abuis wordt omgelegd. Hij 'adopteert' hun achtjarige dochter Lina, omdat zijn zaad dood is en het zwembad dat hij in zijn tuin heeft laten bouwen de kinderwens van zijn echtgenote Paloma niet heeft kunnen wegnemen. Paloma is echter niet blij met de verrassing die hij voor haar meeneemt. Ze kan Lina niet als haar eigen kind accepteren, hoe zeer majoor Anthony ook zijn best doet haar (en zichzelf) te overtuigen dat zij nu Lina's ouders zijn. Het enige wat Paloma het meisje kan bieden is een paar vuilroze pantoffels. Lina is in de veronderstelling dat haar vader en moeder nog in leven zijn en dit verblijf bij de vreemde majoor, zijn hysterische vrouw en hun zwijgzame huishoudster een 'test' is. Wanneer de majoor op een heilloos konvooi gaat om troepen te bevoorraden - door de luitenant-generaal, Paloma's geheime minnaar, erop uit gestuurd met de domste soldaten en het slechtste materieel - ontsnapt Lina, vastbesloten haar ouders te zullen vinden.
 
Onze oom valt eigenlijk uiteen in twee verhalen: dat van majoor Anthony, hoe hij probeert de oorlog thuis te winnen en vervolgens eindigend als aangeklaagde in een Eichmann-achtig tribunaal (verreweg de mooiste scene uit het boek) en dat van Lina, wier hele leven we volgen nadat zij uit het huis van de majoor is ontsnapt. Die twee verhalen verschillen nogal van stijl. Het Anthony-gedeelte is typisch Grunbergiaans, met vele herhalingen van gedachtes en absurde dialogen. Het verhaal van Lina wordt bijna verteld als een soort spannend sentimenteel kinderboek, denk aan Alleen op de wereld. En waar in het ene deel de tijd zo traag loopt dat we van minuut tot minuut te lezen krijgen wat Anthony doet en denkt (en hij doet niet zoveel en denkt steeds hetzelfde), daar springen de jaren voorbij op de pagina's die over Lina gaan. En al zullen deze verschillen een zeer bewuste keuze van Grunberg zijn geweest, waar vast een of ander idee achter schuilgaat, ik als lezer krijg een nogal rommelige indruk van de algehele compositie van deze roman. De twee interessantste personages worden dan ook nog eens pas helemaal tegen het einde van het boek geïntroduceerd: een ijdele pamflettenschrijver en een journalist die alles van wapens weten wil. Het lijken beide afsplitsingen van Grunberg zelf te zijn en ik was ze graag eerder in het boek tegen gekomen. Nu lijkt het erop dat ze er slechts als noodgreep bij worden gesleept om de banale boodschap van de roman nog eens extra onder onze neus te drukken. Want Onze oom is overduidelijk een boek dat de lezer wil laten zien hoe idealisme onvermijdelijk resulteert in bloedbaden en Grunberg - lange tijd door iedereen beschouwd als nihilistisch absurdist - doet er weinig aan zijn werkelijke aard als moralist te camoufleren. Nu heb ik niets tegen moralisme, maar het zit me geenszins lekker dat in zo'n belachelijk dik boek de deuren zo wagenwijd openstaan. Een creatieve intelligente geest als Grunberg had in de 640 pagina's die dit boek telt toch wel met wat meer kunnen komen dat dit? Of heb ik het allemaal verkeerd begrepen en is dit hele werk één grote parodie op kitscherige oorlogsromans? Maar als dat zo is kan je wel aan de gang blijven. Ik bedoel, dan kan ik net zo goed niets meer lezen.
 
Het frustrerende is dat er in Onze oom een meesterwerk schuilt. Een meesterlijke novelle ieder geval. Broers stelt in zijn artikel terecht dat Grunberg teveel uitlegt, maar ik heb me er eerder nooit zo aan gestoord. In dit boek hadden de observaties echter voor zichzelf gesproken en aan kracht gewonnen zonder enige analyse. De motieven van de personages aan de interpretatie van de lezer overlaten had namelijk een confonterender werk opgeleverd, een urgenter werk. Er staan een aantal prachtige passages in Onze oom. Het vernederende proces dat de majoor krijgt wanneer hij in de handen van de vijand is gevallen behoort zelfs tot het beste wat Grunberg ooit geschreven heeft, omdat hij ervoor zorgt dat je meeleeft met de majoor wanneer die zijn daden verdedigt met de redenering dat hij slechts orders van hogerhand heeft opgvolgd en de misdaden tegen de mensheid waarvoor hij wordt terecht gesteld buiten zijn verantwoordelijkheden vielen. Wat mij betreft had daar het hele boek wel over mogen gaan, over hoe menselijk die onmenselijke logica eigenlijk wel niet is. Misschien ook niet een geheel gesloten deur, maar het werkt wel beklemmend, het doet tenminste iets met je. Hoe Lina haar onschuld verliest en opgroeit tot koelbloedige wapenhandelaar laat mij dan weer volledig koud, het is een flets stripverhaal en niet meer dan dat. En een majoor met dood zaad is natuurlijk te kinderachtig voor woorden, een pseudo-psychoanalytische semi-soap.
 
Ik heb me geërgerd tijdens het lezen van Onze oom, maar ik heb bij vlagen ook erg genoten. In mijn ogen blijft Grunberg een groots schrijver, ook met een mindere roman. Hij is dit keer wellicht te gemakzuchtig geweest, of had juist teveel pretenties. Of misschien wel allebei, kwam het op hetzelfde neer. Ik blijf fan, maar wat scherpe kritiek tegen het eeuwige wonderkind - zoals in het artikel van Broers - lijkt me geen ongezonde ontwikkeling. Grunberg is vanaf het begin van zijn carrière overladen met lof, nu is het tijd voor hem om in te zien dat hij niet overal mee weg kan komen. Volgende keer graag weer een echt meesterwerk!
Lees meer...   (1 reactie)
Als er een prijs bestond voor mooiste boektitels maakte Dimitri Verhulst's De Helaasheid der Dingen zeker een kans. Het was vanwege de schoonheid van die titel dat ik mij in het oeuvre van deze jonge Vlaamse auteur ben gaan verdiepen.
 
'De Helaasheid' is een autobiografische roman over een jongen die opgroeit in een huis vol alcoholische ooms die elke maand hun uitkering afwachten. Het geurbouquet van kots, verschaald bier en rotte eieren dat constant in dat huis gehangen moet hebben stijgt je vanaf de pagina's tegemoet. Het is een weemoedig boek dat zijn kracht ontleent aan het volledige gebrek aan cynisme. Verhulst beschrijft vol mededogen deze wereld vol valse hoop en vruchteloosheid, een wereld waar hij het product van is maar die hij wel heeft moeten verlaten om te kunnen overleven, om de succesvolle schrijver te kunnen worden die hij nu is. Het lijkt wel alsof het woord 'tragikomisch' speciaal voor deze roman is uitgevonden. Ontroerend hoogtepunt is toch wel de scène waarin de mannen het comeback-concert van hun grote held Roy Orbison willen zien en hiervoor zichzelf uitnodigen bij een Turkse buurman die zij nauwelijks kennen, omdat hun eigen tv de vorige dag door deurwaarders is meegenomen. 
 
Verhulst kan echter over meer schrijven dan de onderwerpen die dicht bij hem staan. Al kan je je afvragen of de asielzoekers in Problemsi Hotel wel zoveel verschillen van de dronkelappen die hem groot hebben gebracht.  Ook zij weten te overleven in een wereld zonder zichtbare hoop, ook zij blijven dromen. Voor een reportage in een Vlaams tijdschrift verbleef Verhulst een tijd in een asielzoekerscentrum en de roman Problemski Hotel kwam daar weer uit voort. Een zwaar boek is het zeker niet, je lacht je juist kapot terwijl je dit leest. Het wordt pas zwaar wanneer je gaat nadenken over wat je eigenlijk aan het lachen bracht. Twee mannen die in een plaatselijke discotheek op zoek gaan naar een huwelijkskandidaat voor een verblijfsvergunning, maar niet weten hoe ze moeten dansen op de westerse muziek. Een man die in zijn land vervolgd wordt vanwege kritische journalisitiek en van het asielzoekerscentrum een Lonely Guide schrijft waarin je kan lezen wat de betere douches zijn en welke je beter kan vermijden. Problemski Hotel maakt maatschappelijk problemen invoelbaar zonder op enige wijze politiek correct te zijn.
 
Het derde en mooiste boek dat ik van Verhulst gelezen heb is de novelle Mevrouw Verona daalt de heuvel af,  over een jonge weduwe die voor de laatste maal de stijle heuvel waarop zij woont afdaalt om beneden te kunnen sterven. Het is een verhaal over onvoorwaardelijke liefde, over eenzaamheid, over de natuur, over muziek en over menselijk contact. De poëtische schrijfstijl van Verhulst doet meer dan eens aan Gerard Reve denken en in 'Mevrouw Verona' staan zijn mooist gecomponeerde zinnen:
 
'Toen zij die koude februaridag aan de fabel dacht, lag er een andere hond aan Mevrouw Verona's voeten, een typische hoevehand die renaissanceschilders nog hadden vervloekt omdat de subtiele kleurschakeringen van zijn pels de nabootser op zijn beperkingen als Schepper wezen, en waarvan de kweek op grote schaal omstreeks het midden van de negentiende eeuw moet zijn gestopt.'
 
'Vastbesloten te revancheren, de planeet opnieuw te regeren, zijn chaos te installeren waarin niemand maar een logica kon zien, was het bos begonnen met woekeren.'
 
'Waarom er hier de afgelopen decennia amper meisjes werden geboren liet zich eventueel verklaren door ingewikkelde schema's, met pijltjes van de ene DNA-structuur naar de andere, aangevuld met tabellen van alle oestrische cycli, maar in Oucweègne had men zich reeds verzoend met de theorie dat het verdorven zaad van dronkaards de kracht verliest iets schoons te produceren.'
 
 'Niet iedereen keek ernaar uit zich te verliezen in de lichtekooien van La Neptune, want goedkoop was het niet om een romantisch ideaalbeeld te verknallen, en ten tweede was het meermaals voorgekomen dat men met het busje zingend naar de meisjes was gereden, als een bende schoolkinderen, maar dat de sfeer tijdens de terugrit dodelijk neerslachtig was. De koude kermis waar ze van terugkeerden zou nadien de nodige gelardeerde verhalen opleveren, vrolijk uitgespeeld met een mond vol worst of vis aan de oever van de rivier, maar op het ogenblik zelf was iedereen teruggeworpen in zijn eigen kelders.'
 
Dit zijn geen zinnen die ik tijdens het lezen heb onderstreept, want daar doe ik niet aan. Ik heb ze willekeurig van de pagina's gebladerd. Dimitri Verhulst is een groots schrijver en verteller waar ik alles van wil lezen. 
Lees meer...
Wel, ik blijf het een geforceerd grap vinden, dat het hele Dichter des Vaderlands-gebeuren. Waar in Engeland de 'Poet Laureate' sinds de vroege Middeleeuwen door de regering wordt aangesteld om in ruil voor een vat witte port bij koningshuis-plechtigheden gedichten voor te dragen, wordt in Nederland een dichter door het volk verkozen via NRC Handelsblad en die mag dan vier keer per jaar iets schrijven over een actueel onderwerp naar keuze in ruil voor een maandelijkse bos bloemen. En die gedichten worden dan weer in het NRC gepubliceerd, waarmee de titel eigenlijk beter 'Dichter des Lux et Libertas' zou kunnen heten, of iets in die trant. Ik weet niet eens of niet-nrc-lezers van het bestaan van een vaderlandspoëet weten, laat staan of ze zich er door gerepresenteerd voelen. 
 
Onze vorige 'DDV', de naar stukgekookte kool riekende Driek van Wissen, heeft zijn ambstermein ieder geval netjes afgerond, in tegenstelling tot zijn voorganger Gerrit Komrij die het toch allemaal net iets teveel op werk vond lijken en bovendien allergisch voor bloemen is.
 
NRC heeft nu een shortlist opgesteld van vijf dichters waaruit de nieuwe Dichter des Vaderlands gekozen kan worden. Tot 27 januari kan via hun site gestemd worden. De dichters hebben allen de opdracht gekregen een gedicht over het jaar 2008 te schrijven, zodat we ze op basis daarvan kunnen beoordelen. Ik zal van elke dichter en het bijhorende gedicht mijn mening geven:
 
Van deze dichter had ik nooit gehoord. 'Zwarte Tranen' is een mooi gedicht, dat melancholie en metafysica bij elkaar brengt zoals Wislawa Szymborska dat bijvoorbeeld ook zo goed kan. Maar ik zie niet in hoe dit gedicht betrekking heeft op 2008. Het zou over elk jaar kunnen gaan. Het lijkt me dat een Dichter des Vaderlands toch specifiek moet durven zijn, of hij dat nou leuk vindt of niet. Daarme toont Erik Menkveld zich ongeschikt voor de functie.
 
Deze Friese dichter kende ik alleen van naam. 'Sneeuw' is een aansprekend gedicht, omdat het gebeurtenissen uit het nieuws van 2008 (vrouw bedolven onder sneeuw, Amerikaanse verkiezingen etc.) combineert met wat de dichter zelf in dat jaar heeft meegemaakt (hij is minder gaan drinken en heeft met zijn vrouw naakt over het strand gerend). Maar moet een Dichter des Vaderlands wel zo persoonlijk zijn? Het lijkt mij toch van niet. Daarom streep ik Bruinja ook door.
 
Joke van Leeuwen - 2008
Wel, Joke van Leeuwen ken ik in eerste instantie als kinderboekenschrijfster en -illustratrice. Op de lagere school verslond ik haar fantasierijke boeken, zoals De metro van Magnus en Duizend dingen achter deuren. Eerlijk gezegd wist ik helemaal niet dat zij ook gedichten schreef. '2008' is een gedicht met mooie zinnen, zoals 'De op hol geslagen bazen, het toevertrouwde geld dat smolt als was'. Maar als geheel is het een vermoeiend gedicht, door het gebruik van de wij-vorm en de plechtige toon. Op basis van haar kinderboeken had ik wel iets spannenders van Van Leeuwen verwacht.
 
De naam van de Palestijns-Nederlandse Nasr is er zo een die overal opduikt. Als acteur, toneelschrijver, voormalig Stadsdichter van Antwerpen en ga zo maar door. Ik heb zijn poëziebundel 27 gedichten & geen lied in de kast staan, maar zijn stijl spreekt me bepaald niet aan. In het verschrikkelijk lange 'Ik wou dat ik twee burgers was...' staan doodleuk zinnen als 'welkom in mijn krater van licht' en 'wij streven van nature naar leegte zoals een cycloop naar diept snakt', naast 'zwijgend voor een breezer gegangbangd' en 'tussen karnemelk en comazuipen: hol en bol'. Als Nasr Dichter des Vaderlands wordt emigreer ik naar de Gazastrook.
 
Hagar Peeters - Zinloos Gedicht
Genoeg gedicht over de liefde vandaag is de prachtige titel van de bundel die ik van Peeters in de kast heb staan. Ook heb ik haar een paar keer voor zien dragen op festivals. 'Zinloos Gedicht' gaat over zinloos geweld en over poëzie. Ik zie niet in hoe dat specifiek op 2008 betrekking heeft, want beide zijn immers tijdloos. Of Peeters geschikt zou zijn als Dichter des Vaderlands weet ik niet, maar aangezien haar gedicht als een manifest voor de heilzame werking van poëzie te lezen valt zal ze haar taak zeker serieus nemen. En omdat van de vijf voorgeselecteerde dichters haar stijl en toon mij simpelweg het meest aanspreken (speels, peizend, ademend, levend) stem ik - al vind ik het hele DDV-gelul dus grote onzin - met volle overtuiging op Hagar Peeters!
Lees meer...   (2 reacties)
 
Als kind hield ik van verhalen waarin de meest fantastische dingen gebeurden. Draken, vampiers, pratende dieren, tijdreizen, dat werk. Klasgenoten die het werk van Anke de Vries of Carry Slee verslonden kon ik maar nooit begrijpen. Waarom je tijd besteden aan het lezen over dingen die echt gebeuren konden? Wat was daar nou voor lol aan? Want wat de fantasie mogelijk maakt is immers schier oneindig. En als ik met Paul Biegel, Roal Dahl of C.S. Lewis in zo'n sprookjeswereld verdween, dan was het ook allemaal 'net echt'. Als ik m'n boek weglegde kon ik de saaie realiteit maar nauwelijks accepteren. Dan liet ik m'n fantasie maar nog even nasudderen en deed bijvoorbeeld alsof mijn school een kasteel was dat ik bestormen moest.
 
Op een gegeven moment, als je een jaar of tien bent, merk je dat de verhalen die voor volwassenen zijn geschreven het fantastische, het alles-is-mogelijk, ontberen. Dat wil zeggen, de boeken die serieus worden genomen. Alles wat het predikaat 'fantasy', 'horror' of 'science fiction' krijgt toebedeeld, wordt neerbuigend 'escapistisch' genoemd. Het is leesvoer voor mannen die niet oud willen worden, die elkaar liever met plastic zwaardjes ontmoeten op speciale fanclubdagen dan een diepgaand gesprek voeren met een naakte vrouw. Vanzelfsprekend wilde ik niet bij deze curieuze groep gaan behoren en legde daarom de sprookjeswereld naast mij neer om me te kunnen buigen over de 'serieuze literatuur'. Dat bleek zeker geen straf te zijn, integendeel. Al gauw vergat ik de hele sprookjeswereld en hield me in plaats daarvan zoet met de neuroses van Frits van Egters, de levensvragen van Holden Caulfield en de verboden verlangens van  Humbert Humbert. Maar altijd bleef er iets knagen in mijn fantasiekwab; een verlangen naar wat op alle mogelijke manieren onmogelijk is, maar waarvan het zo leuk zou zijn als het tóch kon.

En op deze manier probeer ik de huidig populariteit van de Japanse auteur Haruki Murakami te verklaren. Ik zal namelijk niet de enige zijn die weleens naar zo'n 'onmogelijke werkelijkheid' verlangt. Murakami biedt de sprookjesachtige of droomachtige toestanden die bij de meeste 'volwassen literatuur' taboe zijn. Zo vallen er in zijn verhalen vissen uit de lucht, verdwijnen mensen door muren, bestaan er 'superkikkers' en 'schaapmannen' en kunnen katten met mensen praten. Tegelijk is Murakami's werk nergens escapistisch en daarmee kinderachtig. Zijn boeken staan in de winkel niet bij de afdelingen 'fantasy' of 'science fiction'. Alle vreemde zaken die hij schrijft hebben altijd een filosofische dan wel symbolische functie, al wordt een mogelijke interpretatie nooit op een dienblaadje gepresenteerd. Meestal laat hij zijn lezers verbijsterd achter, op zoek naar antwoorden die niet worden gegeven. Maar dat zijn verhalen altijd betrekking hebben op 'grote' vragen als 'wat is de mens', 'wat is liefde' en 'hoe moet ik leven', staat buiten kijf. Vragen dus die niet beslecht kunnen worden met plastic zwaardjes, maar met een naakt medemens tot diep in de nacht dienen te worden besproken.
 
Afgelopen dinsdag organiseerde de ''Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam'' (SLAA), een avond gewijd aan de Japanse schrijver in De Balie, onder de titel: ''De magie van Murakami''. Ivo Smits, hoogleraar letteren en culturen van Japan, besprak de vraag of we Murakami als typisch Japanse dan wel rasechte westerling moeten beschouwen. Een interessante vragen, want op geen enkele pagina van de schrijver wordt sake gedronken, maar de Heineken vloeit er daarentegen in liters. Of, zoals Herman Koch later op de avond zei: ''Bij Murakami lees je niets over samuraizwaarden of harakiri. Mensen beroven zich er wel van het leven, ja. Maar dat zijn dan wel altijd van die echte westerse depressieve zelfmoorden.''
 
Voor de pauze mochten enkele schrijvers hun favoriete passage van Murakami voorlezen, waarbij vooral Saskia de Coster wist te boeien dankzij haar charmante Vlaamse tongval. Thomas van Aalten, 'een veelbelovende auteur', maakte van de gelegenheid gebruik om reclame voor zichzelf te maken. In plaats van iets voor te lezen van Murakami, zoals hem gevraagd was, las hij doodleuk een verhaal van zichzelf voor. Hij probeerde dit nog te verantwoorden door te zeggen dat Murakami hem dit verhaal 'vanuit een andere dimensie had ingefluisterd', maar het het verhaal had net zoveel gemeen met het thema van de avond als Sarah Palin met Melissa Etheridge. 
 
Na de pauze was er een discussie over de betekenis van Murakami's werk. Rond de tafel mochten Herman Koch, Christine Otten en Lisa Doeland plaatsnemen. Koch en Otten zijn gerenommeerde schrijvers en Doeland is een studente filosofie en literatuur die een aantal essays over Murakami geschreven heeft. Het gesprek werd geleid door de eerder genoemde Ivo Smits. Koch was vooral sympathiek, vanwege de openheid waarmee hij zijn verbazing dat het werk van Murakami hem zo in de greep hield - terwijl hij normaal toch 'uitsluitend hele realistische boeken' las - wist te verwoorden. Ook interessant was de kloof tussen de opvattingen van beide dames aan de tafel. Doeland hield vooral van het 'fantastische' in het werk van Murakami, terwijl Otten juist het meeste belang leek te stellen in de passages van de schrijver waarin niets vreemds gebeurd. Otten leek veel te willen zeggen, onder andere over hoe Murakami zich zou afzetten tegen de kapitalistische samenleving, maar ze verwoorde zich zo krampachtig en onzeker dat ze vooral ergernis opriep. Doeland daarentegen wist zich secuur en trefzeker te verwoorden over de rol van 'identiteit' in Murakami's werk. Vooral interessant was haar idee dat de karakters van de personages worden bepaald door de plek waar zij zich bevinden.
 
De avond was al met al een intellectuele wisseling van gedachten over een moderne sprookjesschrijver. Het geeft me een warm gevoel dat ik bij zo'n feest voor volwassenen kan zijn, zonder dat dromende kind te hoeven verwaarlozen. Dankjewel, Murakami!
 
Lees meer...   (1 reactie)
Om te vieren dat we allemaal geslaagd waren, gaf een klasgenote een feest. Van haar humorrijke vader kregen wij allen een exemplaar van Herman Koch's ''Red ons, Maria Montanelli'' kado. Dat boek gaat over de school waar wij op zaten, het Montessori Lyceum. Koch heeft, wellicht om literaire redenen, de naam van die school in 'Montanelli Lyceum' veranderd.
 
Over dat boek had ik vaak horen spreken op school. Leraren deden daar vaak een beetje lacherig over. ''Het was toen een andere tijd. Onze school was toen eigenlijk ook een heel andere school. Ja, sommige van onze oud-collega's zijn duidelijk in het boek terug te herkennen en zijn best trots daar op.'' Dat was wat die leraren van mij zeiden, maar er was angst in hun ogen te lezen.
 
Ik las het boek en herkende een hoop. Naar mijn idee was er helemaal niet zo gek veel veranderd. Ik had me aan precies dezelfde dingen geeergerd als Koch, hoewel in mindere mate. Bijvoorbeeld dat alle dingen per se anders moeten heten dan op andere ('normale') scholen, zoals 'verslag' in plaats van 'rapport'. Dat leraren je beste vriend willen zijn. Dat je nooit straf krijgt, wat je ook flikt. Dat er geen enkele autoriteit is om je tegen te verzetten. Dat alles vooral altijd zo 'leuk' moet zijn.
 
Ik was blij dat ik ''Red ons, Maria Montanelli'' kon lezen terwijl ik inmiddels van de school af was. Het troostrijke van de herkenning had er anders vermoedelijk toe kunnen leiden dat ik zou volharden in een negatieve houding tegenover de school. In plaats daarvan kon ik het boek nu lezen met een gepaste ironische distantie. Van die school was ik immers af.

Vorig jaar ben ik teruggekeerd op het Montessori Lyceum, maar nu als leraar in opleiding. Het was bevreemdend om de leraren die ik vroeger, zonder enig succes, het leven zuur probeerde te maken, nu als collegae te moeten begroeten. Vermoedelijk ook voor hen. Ik ben zelfs op een kerstborrel geweest waar al die leraren stomdronken werden en karaoke gingen zingen. Naarstig ging ik op zoek naar een gepaste ironische distantie, maar die was nu nergens meer voorhanden. Ik kon hoogstens verraad plegen aan mezelf en voor ik het wist was ook ik een poging tot De Vlieger aan het doen.
 
Gisternacht ben ik ''Red ons, Maria Montanelli'' maar weer eens gaan herlezen. Dat was geen pijnloze onderneming. Zeker niet wanneer Koch schrijft: ''Er liepen op het Montanelli twee leraren rond die allebei oud-leerling waren, dat vind ik iets onvoorstelbaars. Wanneer het je langs welke weg dan ook gelukt is om van zo'n school af te komen, dan zorg je er in de eerste plaats voor dat je er de rest van je leven minstens duizend kilometer uit de buurt blijft. Je gaat altijd nog eerder rauwe vis verkopen in de Sahara dan dat je terugkeert in de moederschoot die je als mongool gebaard heeft, als ik zo duidelijk genoeg ben. [...] Je bent toch werkelijk niet goed bij je hoofd wanneer de gevangenispoort eindelijk opengaat en je krijgt de kans om met beide benen de wereld in te stappen en dus misschien voor het eerst in je leven iets te leren, en je vlucht dan zo snel mogelijk weer naar binnen.''
 
Angst kan soms het beste laf weggelachen worden.
 
 
 
 
 
 
 
Lees meer...   (1 reactie)
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl