kasblog.punt.nl

Het is bijna sluitingstijd. Sinds vanmorgen loop ik al door deze supermarkt. Toen duwde ik één boodschappenkarretje, nu trek ik een keten van vier achter me aan. Gelukkig is Frits er om mij emotioneel bij te staan, want er gaat een hoop door je heen op zo’n dag. Frits begrijpt dat, want hij doet ook aan extreme bonus karting. We hebben elkaar ontmoet op een site voor bonusbuddy’s. Je hebt elkaar ook wel nodig, want het is een slopend proces. Maanden ben je aan het bijhouden welke producten in de bonus zitten en nét wanneer je op stap wil om je grote slag te slaan, gaan sommige van die producten weer uit de bonus en kan je dus van voren af aan met je berekening beginnen. [Lees verder op hard//hoofd]

Reacties
Ondanks mijn immense moeheid kon ik lastig in slaap vallen. Ik was de enige in de slaapzaal, de anderen zouden vast tot in de kleine uurtjes feesten. Toen ik op het bed ging liggen leek ik wel een halve meter naar beneden te zakken, de constellatie van het stapelbed kraakte aan alle kanten. Zou er later iemand boven mij komen te liggen? Zou die persoon door het bed kunnen zakken en mij verpletteren? Het was helemaal stil, op het luidkeels rochelen van Den Heks na. Als het nou een onbeschoft rochelen was geweest, had ik er nog misschien mee kunnen slapen. Maar er leken helse pijnen mee gemoeid te zijn, alsof er een varken naar het slachthuis werd gebracht. Als ik mij naar rechts draaide had ik het gevoel dat zij in m’n gezicht hoestte. Ik zou toch hier toch niet Den Heksengriep oplopen? Als ik op m’n linkerzij lag had ik het gevoel dat ze in m’n nek hoestte. Elke keer dat ik mij omdraaide had ik het gevoel dat de hele boel in zou kunnen storten. Uiteindelijk viel ik op mijn rug in slaap.
 
Toen ik wakker werd zag ik Den Heks stapeltjes van dekentjes vouwen. ‘Goedemorgen,’ zei ik. Ze lachte haar ene tand bloot. De kamer was felverlicht en op ons na verlaten. ‘Gij hebt een goede slaap gehad?’ vroeg ze alsof ze van meer wist. Maar ondanks alles leek ik nog nooit zo uitgerust te zijn. ‘Jazeker,’ zei ik. ‘Maar hoe laat is het? Heb ik het ontbijt gemist?’ ‘Nee, gij kunt nog aanschuiven’, zei ze en ze hervatte haar vouw-bezigheden. Met veel gedoe trok ik mijn broek onder de deken aan, zodat Den Heks mij niet in mijn ondergoed zou zien. Toen ik op mijn mobiel keek bleek dat ik twaalf uur geslapen had.

Het licht in de badkamer was stuk. In de duisternis douchte ik de slaap van mijn lijf. De douche was heerlijk, maar ik kon overal in staan. Gisteren had het ligbad er brandschoon uitgezien, op wat schuim op de bodem na. Maar stel nou dat er iemand in had gepoept? Of er een miskraam er in had gehad? Stel nou dat ze het licht expres kapot hadden gemaakt, omdat ze geen zin hadden die smerige bende op te ruimen?

Op de ontbijttafel lagen een thermosfles koffie, sneetjes brood in een mandje en potten met chocopasta. Drie wereldreizigers waren met elkaar in gesprek over bestemmingen, een van hun was de iele jongen die ik gister de deur uit had zien komen. Ze waren niet aan het ontbijten, maar leken elk moment op stap te kunnen gaan. De koffie was lichtbruin water, het brood prehistorisch en de chocopasta een klomp zwarte boter. Ik verliet Den Heksenketel zo snel als ik kon, op zoek naar echte koffie en een echt ontbijt. Buiten was het heerlijk weer en ik vond een leuk terras. Dit leek een echt volkscafé te zijn. Op het terras zat niemand, binnen zat het vol. In België mag je nog gewoon in café’s roken en dat gebeurde hier dan ook volop, de hele kroeg stond blauw. Het was nog geen middag, maar iedereen zat aan het bier. Jong en oud, man en vrouw. Grote pullen pint. Zouden ze hier wel koffie hebben? Het stond op de kaart, dus bestelde ik het. Een vrouw met een vlekkerig schort pakte een kan en schonk een grote mok vol. Achter haar hing een bord met daarop de tekst: ‘Wie hier werkt moet wel een beetje gek zijn’. Of iets in die trant. Eigenlijk had ik het op moeten schrijven, zoals ik zoveel teksten op had moeten schrijven die ik in Antwerpen tegenkwam. Op uithangborden die aan winkels hingen en schoolborden die voor restaurants stonden. Iedereen probeert namelijk zo gevat mogelijk te zijn om de aandacht te trekken. Het grote verschil tussen Nederlandse en Vlaamse humor, is naar mijn idee dat Vlamingen niet zo bang zijn om niet grappig gevonden te worden. Daardoor durven ze meer. Nederlanders hebben toch altijd een arrogante houding tegenover flauwigheid. Als hun grap er niet voor zorgt dat zij voor eventjes de grappigste persoon ter wereld zijn, voelen ze zich meteen gigantisch voor lul staan. Daarom zijn wij Hollanders zo gek op ironie. Door een dubbele laag in een mop te verwerken (‘deze is eigenlijk te flauw voor woorden, maar ik doe dan ook een imitatie van iemand die flauwe moppen tapt en dát is de werkelijke clou, dat is waarom we eigenlijk lachen’) voelen we ons onfeilbaar. Ironie is een veiligheidsgordel voor de onzekere grappenmaker, voor wie neerkijkt om de simpele puurheid van een goede grap. Vlamingen voelen zich niet te goed voor een goede grap die zichzelf rechtvaardigt. Daarom kunnen ze in een kroeg waar men de dag begint met pullen pint en iedereen z’n rotte tanden bloot lacht zo’n bord ophangen. Maar wat ben ik nou weer van alles aan het theoretiseren? Die ‘koffie’ hier was net iets minder waterig dan de ‘koffie’ in Den Heksenketel, maar daar was dan ook alles mee gezegd. Alvorens mijn queeste naar mijn toekomstig huis aan te kunnen vangen, moest eerst aan de queeste naar cafeïne voldaan zijn. Anders kwamen we natuurlijk nergens.

Uiteindelijk kwam ik bij een hip uitziende wafelbar, gerund door twee Hollanders die mij geliefden dan wel broeders leken. Hier stond zowaar espresso op de kaart en ik bestelde een dubbele, ook ik kan mij immers niet altijd aan een dubbele schuimlaag onttrekken, ook ik dek mezelf graag in. Dit etablissement met z’n pasteltinten en chromen tafeltjes was wel in alles zo het tegenovergestelde van de volkskroeg waar ik zonet nog was, dat ik door melancholie overvallen werd. Waar wilde ik bijhoren? Waar kón ik bijhoren? Maar ach, ik kon nu tenminste wel wakker worden. Ik begon verder te lezen in mijn boek, gezeten op de straathoek waar de wafelbar een tafel en een stoel had neergezet voor het comfort van mensen zoals ik, pseudo-toeristen die met of zonder ironisch schuldgevoel van goede koffie durven te genieten. Of zou de kwaliteit van koffie slechts een kwestie van gewenning zijn en mensen hier oprecht genieten van water met een koffiesmaakje? Waarschijnlijk was niemand ermee bezig, men dronk bier of zeikte niet. Ik bestelde nog een espresso, een enkele ditmaal bij wijze van final shot. En ik bestelde er een wafel bij, het was immers een wafelbar en afgezien van het oude brood met choco-klomp in Den Heksenketel had ik nog niets gegeten. Toen ik naar mijn idee wel weer uitgeontbeten was liep ik naar binnen en vroeg aan Den Hollanders of zij wisten hoe ik in Zurenborg kon komen. Zo bemoedigend als mijn vriendin mij gesms’t had dat zelfs ik het zou kunnen vinden, zo ontmoedigend keken zij me aan. Ja, dat zou een hele onderneming worden. Het beste kon ik eerst naar het station gaan en daar een trein pakken. ‘Ach, ik heb de hele dag de tijd’ lachte ik verontschuldigend. De mannen groetten mij beleefd en ik liep stralend en onbevreesd naar het station, het avontuur tegemoet.

Op het station liep ik naar een loket voor toeristen-informatie. De man gaf mij een kaart en liet me zien hoe ik moest gaan. Naast het station ging een tram en met een paar haltes zou ik er zijn. Het viel me tegen hoe makkelijk mijn uitdaging volbracht zou zijn. Ik had me uitgedaagd gevoeld door Den Hollanders, die mij het gevoel hadden gegeven dat ik mezelf iets op de schouders had gehaald. En het beviel mij goed om iets op mijn schouders te dragen. Maar misschien hadden ze een hekel aan Zurenborg, begrepen ze niet wat ik daar wilde doen. Misschien hielden ze niet van Jugendstil, of ze hadden mij een vreemde vogel gevonden. Ze hadden zo aardig gedaan, maar misschien was dat wel ironie. Een dubbele laag, net als hun dubbelzinnige homo-erotische broederschap. Wellicht had ik nooit op zoek moeten gaan naar goede koffie en meteen beginnen met bier, net als alle anderen. Het zou wellicht een hoop gescheeld hebben. Omdat ik mij er niet zo makkelijk vanaf wilde maken en ik hier toch stond, vroeg ik maar aan de meneer waar de befaamde Joodse wijk eigenlijk was. Maar dat viel ook nogal tegen, dat was namelijk naast het station. Zo bleef van een avontuur natuurlijk bar weinig over. Zou ik anders de kaart die de meneer mij gegeven had en waar hij met een pen precies had aangegeven hoe ik moest lopen weggooien in een prullenbak en weer eens proberen te verdwalen? Maar dat had ik gisteren al gedaan, ik zou onvermijdelijk toch weer bij Den Kathedraal terechtkomen. Al nam ik dertig haltes, of voor mijn part de trein naar Brugge.

De Cogels Osylei was inderdaad zo mooi als mijn geliefde had beloofd. Een adellijke straat met statige sprookjesachtige door bomen omgeven huizen. Maar welke was nu onze toekomstige? Of had mijn vriendin helemaal niet een specifiek huis bedoeld, maar meer dat ons toekomstige huis wel in deze straat zou moeten staan? Wel, het was inderdaad allemaal prachtig. Maar de straat was niet bepaald lang en na een paar keer er doorheen te zijn gelopen had ik het ook wel weer gezien. Bij een verlaten rotonde stond een hip maar verlaten terras. Daar dronk ik een paar biertjes en las verder in mijn boek. Inmiddels kreeg ik zonder problemen ‘pintje’ mijn mond uit. Gisteravond was ik erachter gekomen dat het domweg het enige woord is dat je zeggen kan wanneer je een normaal glaasje bier wilt. De kroeg waar ik naartoe ging nadat ik Fritkot Max verlaten had om een slaapmutsje te pakken werd bevolkt door jonge alternatievo’s en de Yeah Yeah Yeahs werden er keihard gedraaid. Het hele dilemma eerder op het terras, met de twee Pulp Fiction-imitators achter mij, was ik even helemaal vergeten. Ik had gewoon trek in een biertje. Maar de barjongen begreep mij niet. Ik bleef herhalen dat ik een biertje wilde en ik zag aan zijn uitdrukking dat hij me echt probeerde te begrijpen, in alle onschuld. Het was geen test, hij wilde me juist graag helpen. Toen corrigeerde ik mezelf. ‘Een pintje graag.’ Het was mij toen duidelijk geworden dat ‘pintje’ geen exclusiviteit of eigenheid pretendeert. Het is geen slang of dialect. Het is gewoon het Vlaamse woord voor ‘biertje’, een ander synoniem is alleen maar verwarrend. Ik kon mezelf wel voor de kop slaan, waarom maakte ik in godsnaam toch altijd overal zoiets ingewikkelds van? Maar goed, vanaf nu bestelde ik dus gewoon een ‘pintje’ wanneer ik bier wilde. En het ging me als vanzelfsprekend af. Je kan van die dingen wel een hoop mentaal gedoe maken, maar het went eigenlijk belachelijk snel. Dus ik dronk wat pintjes op dat terras en vervolgde daarna mijn voettocht door Zurenborg. Na een aantal straten te zijn ingeslagen en de gebouwen enigszins soberder werden, leek het me toch gelukt te zijn om een beetje het gevoel te krijgen verdwaald te zijn. Ik zag een vergeelde aanplakposter van de Socialistische Partij. Degene die er op stond leek precies op Agnes Kant, maar dan met een snor. Ik dacht er ineens aan dat Agnes Kant een snor ook goed zou staan. Vreemd eigenlijk dat ik daar nooit eerder aan had gedacht.

Toen ik dacht echt verdwaald te zijn en een gelukzalig gevoel mij overmeesterde kwam ik terecht bij de halte van de tram terug naar het station. Voor de trammetjes in Antwerpen lijkt het woord ‘schattig’ uit te zijn gevonden. Ik liep door de Joodse buurt. De orthodoxe mannen met hoeden en luizenbuizen brachten mij in een goede stemming, evenals de vele juweliers met hun pralende etalages. Op een gegeven moment betrapte ik mezelf erop dat ik nergens meer aan dacht. Zou het zo voelen om normaal te zijn? Ik kwam in een park terecht en ging daar op een bankje zitten, luisterde naar mijn iPod op shuffle en vond alle muziek die voorbij kwam even mooi. Na een uur heerlijk te hebben gezeten liep ik terug naar Den Kathedraal. Nu ik eindelijk helemaal los had zien te komen van dat gebouw, zou ik Hem alles vergeven en Hem eens met een bezoekje van binnen vereren. Ik gaf mezelf een rondleiding langs alle schilderingen en objecten, las alle borden die erbij stonden uitvoerig. Ik krijg altijd wat pleinvrees van megalomane ruimtes, als ik naar boven keek begon ik te duizelen. Bij het station van Antwerpen had ik dat ook gehad, terwijl ik met de oneindige roltrap naar boven werd vervoerd. Maar ik genoot van het gevoel, vandaag was alles goed. Ik had goed de toerist uitgehangen, vond ik zo. Nu nog een plek vinden om een lekker hapje te eten. Ik had overal borden zien staan met daarop reclame voor asperges. 'Asperges op Vlaamse wijze.' 'Asperges met gerookte zalm.' 'Asperges met gerookte spek.' 'Asperges met asperges', etc. Het asperge-seizoen was zeker net aangebroken. Die dingen hou ik normaal nooit bij, maar ik werd er nu nogal mee geconfronteerd. En ik ben dol op asperges, laat daar geen misverstand over bestaan. Maar doordat ik op elke straathoek het woord 'asperge' las, kreeg ik opeens een godsgruwelijke hekel aan deze groente. Er leek mij niets bijzonders meer aan. Een vervallen zaakje was zelfs zo desperaat geweest om een papier op hun raam te plakken met daarop met een stift gekrabbeld: ‘Ook hier asperges!’ Ik ging op een terras zitten van een sjiek restaurant en bestelde daar een duur drie-gangen-diner. Garnalenkroketten, stoofvlees, profiterole. 'U wilt onze asperges niet proberen, meneer? Dat is de specialiteit van de dag en ze zijn overheerlijk.' 'Nee, dank u. Ik ben allergisch voor asperges.'
 
Ik probeerde zo lang mogelijk over mijn eten te doen, zoveel mogelijk van het diner te genieten. Ik was nog nooit met mezelf uit eten geweest en voelde me heerlijk excentriek, al zag ik er waarschijnlijk gewoon uit als een etende man. Bij het eten dronk ik zwaar Belgisch bier. Ik merkte dat ik er snel aangeschoten van raakte en bestelde daarom een dubbele espresso bij mijn dessert, om een beetje te kunnen ontnuchteren. Ik moest immers nog de trappen van Den Heksenketel beklimmen. Mijn koffie arriveerde niet bij mijn dessert en toen het er een half uur later nog niet was, vroeg ik er de ober naar. Hij verexcuseerde zich, er moest iets mis zijn gegaan bij de bestelling en het koffieapparaat was inmiddels uitgezet. Maar ik kreeg een pintje van de zaak, om het goed te maken. Dat durfde ik niet te weigeren. Dus opeens zat ik met nog zo’n enorm glas voor mijn neus met loodzwaar bier. Ik dronk er met kleine nipjes van en deed er uiteindelijk een uur over voordat het glas was leeggedronken. Al die tijd dacht ik nog steeds aan niets. Ik keek naar de mensen die over het plein liepen en de mensen die om mij heen van hun eten en drinken genoten. Langzaam werd het donker. Morgen zou ik weer naar Amsterdam vertrekken en wie zou ik dan zijn? Dat kon niemand weten en dat maakte het eigenlijk volstrekt onbelangrijk. Ik was naar Antwerpen gekomen om het donker te zien worden en daarna weer licht, de rest is bijvangst. Vergeet daarom alles wat ik gezegd heb. Vergeet alles, bijna alles. Ik kan mij niets meer herinneren. In Antwerpen ben ik nooit geweest.

- The End -
Lees meer...   (2 reacties)
Toen ik mijn ogen open deed was de zon doorgebroken. Ik rekende af en verliet het terras. De vieze smaak was uit mijn mond verdwenen, maar toch liep ik naar Den Heksenketel, omdat ik immers mijn mond een beloofde poetsbeurt niet zomaar ineens kan gaan zitten weigeren. Beloofd is beloofd, zoals men wel eens zegt. Om de steile trappen te beklimmen, moest ik langs het bureau van Den Heks heenlopen. Die zat daar achter een antieke computer en een overvolle asbak een potje te hoesten. Het slijm dat ik haar naar boven hoorde halen leek ik mij niet bepaald van recente datum. Ik zei haar gedag, maar zij riep me na. ‘U heeft al betaald?’ ‘Ja,’ zei ik, ‘u vergat me toen een tientje terug te betalen, weet u nog?’ ‘Ah ja’, lachte ze haar ene tand bloot. Die tand bewoog, hij zat heel erg los. Spoedig zou Den Heks tandloos zijn. Tot die tijd had zij één tand en die bewoog. De Duitsers waren niet meer op de slaapzaal, maar hun troep lag overal. Pas na een tijd zag ik het meisje dat bovenop een van de stapelbedden met een gameboy aan het spelen was. Ik wilde haar niet uit haar concentratie halen, maar het leek me ook raar haar niet te groeten. We waren de enigen in de kamer. Ze reageerde niet op mijn hallo, ze zag me waarschijnlijk niet eens. Ik vermoedde dat haar lange ravenzwarte haren oordopjes verborgen waarmee ze haar computerspel van een soundtrack voorzag. Een geurboeket van nootmuskaat en geitenschijt kwam haar speelhoek uitwaaien. Vermoedelijk Antwerpse wiet. Terwijl ik mijn tandenborstel uit mijn koffertje haalde kreeg ik een sms. Het was mijn vriendin die mij vroeg of ik wel naar 'zurenborg' zou gaan om in de 'kogels osilei' 'ons toekomstige huis' te zien. Ik wist bij god niet waar ze het over had, dus dat stuurde ik haar maar terug. Toen verliet ik de slaapzaal, om een trap te beklimmen die nog steiler was dan alle vorigen. De Heks had mij laten zien dat, om in de badkamer te kunnen komen, ik eerst door een andere slaapzaal heen moest. Daar lag iemand heel hard te snurken. Er kwamen viezige vette dreadlocks uit de slaapzak vandaan, wat geen enkele indicatie van het daarbij behorende geslacht kon geven. Ik vind backpackers seksloze wezens. Schijnbaar grensoverschrijdend, maar op hun eigen manier volstrekt bekrompen. Ze onttrekken zich aan de menselijke plicht iets van zichzelf te maken en verplaatsen eigenlijk alleen maar stank. Toch houd ik van hen, op mijn eigen wildvreemde wijze. Ik zou graag bij zo’n geslachtloze stinkerd in de slaapzak kruipen, om op het ritme van zijn of haar gesnurk stukjes van het behang af te krabben. In plaats daarvan ging ik mijn tanden poetsen. De badkamer was brandproper, dat dan weer wel. Ook het luxeuze ligbad was in schril contrast met de rest van het verblijf. In dat bad zou ik morgen met mijn blote voeten moeten staan om te douchen. Liever schimmel dan slippers. Van slippers krijg ik kramp in mijn tenen, vraag me niet waarom. En het voelt gewoon onnatuurlijk, mezelf schoonspoelen met plastic schoeisel aan. Er had vermoedelijk net nog iemand in dat bad gelegen; er lag wat schuim op de bodem en het rook er warm. De verleiding om onbekende kastjes met een onbekende inhoud open te doen kan ik nooit weerstaan. Er lag een collectie van producten die mensen van over de hele wereld hadden meegenomen, soms met hun naam erop geplakt. Waarschijnlijk hadden vele wereldreizigers hun zoektocht naar zichzelf voortgezet zonder tandenflos, haarwax, deostick of okselcrème. Pincetten om de beesten uit de dreadlocks tussen hun benen weg te pikken en in het ligbad te laten vallen. Die spullen zouden nu voor eeuwig in Den Heksenketel blijven en niemand zou ze ooit aan durven raken, die tubes en potjes met vreemde namen erop gekrabbeld. Een zoektocht naar jezelf laat sporen achter. Maar ik hoef mezelf niet zo nodig te zoeken, daarvoor was ik niet in Antwerpen. Ik zou hier geen sporen achterlaten, ik was hier nooit geweest. Toen ik uitgepoetst was, spoelde ik de borstel schoon met water en stak hem in mijn broekzak. Met de kop naar buiten kijkend, om geen vlek te creëren. Mijn kleine broekzaktoerist kreeg een gratis rondleiding via de steilste trap ter wereld, om daarna weer in zijn oude kofferwoning te verdwijnen. Het meisje met de zwarte haren was nog steeds druk aan het spelen op haar gameboy, terwijl ze met haar vrije hand een puistje uitkneep. Ik verliet de kamer weer, zonder dat zij doorhad dat ik er ooit geweest was.

Weer moest ik De Heks passeren, maar dit keer hield ze haar mond gelukkig dicht. Buiten was het nog steeds heel zonnig. Ik zou de binnenstad van Antwerpen gaan verkennen en daarna een lekker hapje eten. Op de weg zou ik niet te hoeven letten. Vandaag kon ik naar hartelust verdwalen. Tijd had ik genoeg en ik hoefde met niemand rekening te houden. Ik verdwaal altijd en overal. Zelfs in Amsterdam, waar ik nu al ruim zeven jaar woon, weet ik nog vaak de weg niet te vinden. Ik sta erom bekend. Mijn vakanties met vrienden en geliefden kregen vaak een enorm oponthoud doordat ik iets alleen moest doen (bijvoorbeeld sigaretten voor ze kopen) en vervolgens de weg terug niet meer kon vinden. Heel wat Franse landweggetjes en Spaanse campings ben ik langs gestruind, met de knagende irritatie dat ik alle vooroordelen over mij weer eens aan het bevestigen was en bij god niet wist hoe het ooit nog goed met mij zou kunnen komen. Maar nu maakte dat allemaal geen zak meer uit. Antwerpen was geen Frans landweggetje en evenmin een Spaanse camping. Ik hoefde geen weg te vinden en er waren geen mensen op mij aan het wachten. Ik zou ervan kunnen genieten. Maar godverdomme, waarom lukte het mij nou niet te verdwalen? Ik deed echt mijn uiterste best en sloeg een wirwar van straten in en een kluwen van blokjes om, maar steeds weer kwam ik uit bij die verdraaide kathedraal. Het zou toch niet waar zijn, dat ik mijn vermogen om te verdwalen was verloren en daarvoor in de plaats in een ‘loop’ terecht was gekomen? Een soort Groundhog Day, maar in plaats van steeds dezelfde dag mee maken, niet meer van een plek kunnen ontsnappen? Zo, denk je eindelijk een beetje verdwaald te kunnen zijn, is-ie daar weer. Kutkathedraal. Zo kwam ik toch nergens? En wat deed ik hier eigenlijk, in Antwerpen? Niet op zoek naar mezelf, dat wisten we al. Maar wat dan? Lekker op vakantie? Kom op zeg. Toen ik alle hoop had opgegeven om ooit nog van de Kathedraal los te komen, ging ik maar pal voor de Kathedraal op een bankje zitten. Of ik mij hiermee bij mijn lot neerlegde, of juist een laatste poging deed het te tarten, of het lot te tarten door me erbij neer te leggen, dat wist ik zo net nog niet, maar het leek het verstandigste idee dat ik op dat moment kon bedenken. Rustig las ik daar mijn boek tot het avond werd, slechts eenmaal gestoord door twee Engelse meisjes die mij vroegen of ik wist waar een seksshop was. Natuurlijk wist ik dat niet, ik was er althans geen tegengekomen en zelfs als dat wel zo was zou ik het niet kunnen uitleggen. Alle wegen leiden naar de Kathedraal, dat zou ik kunnen zeggen. Maar ik zei dat ik ook onbekend was hier en de meisjes liepen weer vrolijk verder. Ik probeerde verder te lezen alsof er niets gebeurd was, maar het voorval irriteerde me. Kon je zomaar aan iemand vragen waar een seksshop was? Wellicht, maar dan toch niet zonder enige vorm van gêne. Gespeelde gêne op z'n minst, voor de vorm. Bestond er dan geen enkel fatsoen meer? Of kwam ik over als zo iemand aan wie je maar alles kan vragen? Had ik de meisjes misschien ingebeeld? Of zij mij?

Toen ik mijn boek eindelijk uit had, besloot ik op zoek te gaan naar een hapje eten. Fritkot Max zag er aantrekkelijk authentiek uit. Een klein zaakje met één tafel om aan te zitten en één stoel om op te zitten en achter de toonbank twee potige kerels, waarvan een wel vermoedelijk de naam Max zou hebben. En dan was er nog een lange tafel met daarop zestien emmers verschillende saus, die je naar believen op je frieten spuiten kon. Ik bestelde een ‘Menu Max’, dat bestond uit een portie frieten en twee curieworsten. Dit kostte twee euro negenennegentig. Het werd me al snel duidelijk dat de man die mij hielp niet Max was, maar zijn achterlijke neef. Moeizaam doorzag hij de kassa, op zoek naar een cent. Ik had hem immers drie euro gegeven, dus ik zou nog wisselgeld moeten krijgen. ‘Is al goed hoor,’ zei ik, ‘zie dat maar als fooi.’ De curieworsten bleken een soort dikke slappe bleke frikadellen te zijn. Ze maakten een teneergeslagen buiging als ik een hap probeerde te nemen. Ik doopte ze in de verschillende sausen die ik op mijn bord gespoten had en die namen hadden als ‘andulica’ en ‘american’. De frieten leken helemaal niet op Vlaamse frieten zoals die in Nederland verkocht worden. Die zijn altijd dik en slap, eigenlijk net als die worsten. Maar deze frietjes waren klein en knapperig. Eigenlijk zoals ik ze het lekkers vindt, maar daar ging het nu niet om. Worden we in Nederland collectief voor de gek gehouden waar het Vlaamse frieten betreft? Of was ik in het verkeerde frietkot beland, ondanks de schijnbare authenticiteit?

Ik dronk nog een paar biertjes op een terras, terwijl ik aan het tweede boek begon dat ik bij me had. Het was nog maar half negen, maar ik was al erg moe. Van alle wandelingen van Kathedraal naar Kathedraal, vermoedelijk. Ik zou Den Heksenketel maar weer eens op gaan zoeken, morgen kon ik er nog een lange dag van maken. En nu ik meteen mijn bed in wilde rollen, raakte ik verdwaald. Dat wil zeggen, ik kwam steeds weer bij de Kathedraal terecht. De Kathedraal leek vervuld te zijn met zelfingenomen ironie; het grijnsde naar me elke keer dat ik er tegenaan liep. Ik probeerde me te concentreren op De Tand van De Heks, misschien dat dat zou helpen. De Kracht van de Kathedraal kon daar toch nooit tegen opgewassen zijn? En inderdaad vond ik even later De Pelgrimssteeg, waar Den Heksenketel gevestigd was. Nu moest ik de code intoetsen, om de loodzware deuren open te kunnen krijgen. In mijn portemonnee zat het verlopen memo-briefje waar Den Heks alle codes op genoteerd had. Maar welke code hoorde nu bij welke deur? Ik probeerde ze allemaal en bij een ervan ging er een groen lichtje branden. Dat moest hem dus wel zijn. Toch kreeg ik de deur niet open. Ik probeerde het nog een keer en nog een keer. Moest ik die knop nou naar links of naar rechts draaien? Ik wilde het nog eens proberen, toen de deur open ging. Het was het meisje met de gameboy, vergezeld van twee van de vier Duitse punkers en een iele jongen die ik nog niet eerder had gezien. Zij gingen waarschijnlijk nu de hort op. Ik groette ze en het meisje zei iets terug dat Russisch klonk. Had ze mij herkend? Ik ging nog even zitten in het 'folk-café' dat gesloten was maar als ‘living’ gebruikt kon worden. Er brandde één doffe lamp en het zag eruit als een spookkasteel, met een handpop (vermoedelijk Robbie) tegen een doffe spiegel geleund. In een hoek zat De Reus, die ik eerder op de dag het plafond had zien schilderen. Wij waren de enigen. Ik pakte een tijdschrift van de stapel die daar lag en probeerde de schijn te wekken dat ik het las, maar dat was meer een camouflage omdat ik niet voor me uit kon gaan zitten staren. Zodirect zou De Reus een gesprek met mij gaan beginnen en daar had ik nu geen zin in. Ik rookte een laatste sigaret en zou dan gaan slapen. Toen ik op mijn telefoon keek om te zien hoe vroeg het eigenlijk wel niet was zag ik dat ik een sms’je gekregen had. ‘Eerstgenoemde is een buurt, laatstgenoemde is een straat daarin. ’t is jugendstil en art nouveau. Prachtig! Koop een plattegrond en ga erheen! Dit kun je vinden, heus... Liefs’ Hoera, morgen zou alles anders zijn! Want morgen had ik een Doel. Een onbekende buurt, een toekomstig huis. Nu kon ik rustig gaan slapen.
 
-To be continued...-
Lees meer...
Achter mij op het terras hadden twee oude mannetjes het over Hollanders. ‘Zij zeggen dan: ik wil een vaasje bier hè. Zij willen dus een vaas met bier. Dat is toch van de zotte?’ Ik wist best dat ik een pintje moest bestellen, maar op de een of andere kreeg ik het mijn mond niet uit toen de kelner voor me stond. Immers, als ik het niet overtuigend zou weten te brengen zou ik direct door de mand vallen. De oude mannen zouden dan weten dat ik hun gesprek had afgeluisterd en nu heel erg mijn best deed vooral geen Hollander te zijn. Maar als ik de woorden ‘biertje’ of ‘pilsje’ zou gebruiken, was mijn vakantie nu al ten dode opgeschreven. Ik zou me dan nergens in Antwerpen meer kunnen vertonen. De kelner floot ongeduldig. Ik keek voorzichtig op de kaart en slaakte een hopelijk onhoorbare zucht van opluchting toen ik daar een vluchtroute op ontdekte. ‘Een wit bier’ zei ik, terwijl ik met mijn vinger naar de plek op de kaart wees waar mijn oog op gevallen was. ‘Een wit bier’ bevestigde de kelner en hij liep fluitend weg. Het weer was guur, het waaide en het leek elk moment te kunnen gaan regenen. Naast mij en de oude mannen was er niemand op het terras. Maar ik was op vakantie.

Ik zat al zeker twee uur met mijn veels te dikke boek op het terras en had nog maar drie witbier gedronken. Op vakantie doe ik graag rustig aan en bovendien was het nog vroeg op de middag. Vanmorgen had ik mijn aansluiting gemist, terwijl ik toch zo goed de treintijden had uitgezocht. Ten gevolg hiervan moest ik een uur doorbrengen op Schiphol. Het vakantiegevoel dat mij zo prettig bekropen was op Station Sloterdijk (het station waar ik zo vaak sta, maar nooit met een reiskoffertje) werd misdadig de kop ingedrukt. Treinstations maken mij dolgelukkig, vliegvelden suïcidaal. Ik had behoefte gehad aan cafeïne en iets zoetigs en ik had dorst. Die drie zaken leken mij mooi gecombineerd te kunnen worden met een ‘frappucino’ bij de Schiphol-Starbucks. Ik liep naar buiten om bij mijn consumptie tegen de wind in een sigaret te kunnen roken. Jezus, wat was het koud! Zowel het weer als de frappucino. En wat was dat Amerikaanse brouwseltje fucking zoet, mijn tandvlees sprong spontaan omhoog. Na nog een slok, omdat ik echt niet kon geloven dat dit multinationale zoethoudertje zo ongelooflijk smerig was, gooide ik de beker weg en rookte met de sigaret de vieze smaak uit mijn mond. Op mijn iPod selecteerde ik Brian Eno’s ‘Music For Airport’ in de hoop de sfeer wat op te kunnen krikken, maar de trage soundscapes maakten mij alleen onrustiger. Dan maar het tegenovergestelde, met de sixties garagerock van een Nuggets-compilatie. Maar dit werkte al helemaal niet, niets leek te werken op dit moment. Zonder muziek en zonder ook maar de suggestie van cafeïne liep ik naar het perron waar mijn trein vertrekken zou. De perrons onder Schiphol zijn spookachtig. Ze zijn belachelijk lang en slechtverlicht. Alsof de treinen zich zouden moeten schamen geen vliegtuigen te zijn. Na een tijdlang in mijn boek te hebben gekeken zonder te lezen kwam mijn trein er eindelijk aan, mijn heilige redder in nood. Die zou mij in een spurt naar mijn vakantiebestemming brengen. Naast mij kwam een man zitten die een druk gesprek voerde met de mensen aan de andere kant van het gangpad. Hij at een broodje dat rook en klonk als een broodje gezond. Een broodje gezond ruikt en klinkt als geen enkel ander broodje. Het is een zelfingenomen broodje. ‘Kijk mij nou eens een partijtje semi-gezond zitten te doen’ roept het broodje op alle mogelijke manieren. Maar misschien kunnen die broodjes daar wel niets aan doen. Het zijn hun verorberaars die zullen moeten sterven.

En nu zat ik dus aan het witbier, terwijl de zon een plagend spel van net niet doorbeken speelde en de wolken dreigend dansten. De mannen achter mij hadden het nu over de Rolling Stones. ‘Kent gij dan niet briedsjes over babielon? Die is schoon hoor! Héle schone plaat. Luister het maar eens.’ Even daarvoor hadden ze het over Pulp Fiction gehad. De man die ‘briedsjes over babielon’ niet kende had zich vol overgave aan een imitatie van John Travolta en Samuel Jackson gewaagd, om hun bekende dialoog over Hollanders en mayonaise in z’n geheel na te spelen. Tarantino’s teksten hadden nooit zo surrealistisch geklonken als met de Vlaamse tongval van deze meneer, die echt z’n best deed net zo dreigend en street-wise te klinken als het in de film was geweest. Toen ik hoorde dat de heren het terras verlieten bestelde ik nog een wit bier voor de vorm. Voor de goede orde: ik hou helemaal niet van witbier, met of zonder spatie. Het kan wel lekker fris zijn, maar na een glas heb ik het wel weer gezien en bestel ik een gewoon biertje of iets anders. Maar in deze situatie was het wel lekker makkelijk het bij dezelfde consumptie te kunnen houden. Nu hoefde ik tenminste niet ‘pintje’ te zeggen. Of zou er ook zoiets als ‘wit pintje’ bestaan? Nee, dat klinkt teveel als een irritant kutvogeltje waar bleke kereltjes met rugtasjes en verrekijkers zich verdekt voor op denken te stellen met hun ontblote knieën in een smerige sloot. Waarom witbier mij ook vaak op de zenuwen werkt, is dat er zo’n stom stukje citroen op de rand van het glas zit bevestigd. En zo’n lelijk plastic stampding in het glas, waarvan je nooit weet wat je ermee moet doen wanneer je ermee bent uitgestampt (waarbij onvermijdelijk een deel van het bier over je glas is gedropen, waardoor je die vervolgens niet meer vast kan pakken zonder vast te plakken). Ik vind de citroen sowieso een wat trieste vrucht. Alsof het leven niet al zuur genoeg is. Van citroenijs houd ik wel, maar aan zoetigheid moest ik voorlopig niet denken. Die twee slokken frappucino hadden mijn smaak voor de rest van de dag verpest. Maar gelukkig bleek het witbier in Antwerpen er niet uit te zien als een yuppendrank. De rand van het glas was goddank citroenvrij, een stampding was dus ook nergens te bekennen en het glas zelf was een koninklijke beker met een stevig handvat. En het smaakte goddelijk. ‘Ze weten gewoon nie wa eten is!’ hadden de twee oude Belgen met stellige afschuw over Amerikanen uitgeroepen, naar aanleiding van de schoone film Pulp Fiction. Inwoners van de VS vinden mayonaisse maar raar, zij consumeren hun frieten met liters waterige tomatenketchup. Al vind ik Bridges To Babylon een ongelooflijk kutalbum – zoals eigenlijk alles wat de Stones sinds de jaren zeventig hebben geproduceerd behoorlijk kut is - vond ik de mannen erg sympathiek en komisch. Ik was benieuwd hoe ze eruit hadden gezien, misschien waren ze wel helemaal niet zo oud als ik de hele tijd had aangenomen. Ik had van hun gesprekken genoten, maar in mijn boek was ik zo alleen geen reet opgeschoten. En nu zat ik alleen op het terras, terwijl de zon nog steeds hard-to-get speelde. Het werd tijd om mijn glas te legen en de stad te verkennen. Maar eerst wilde ik mezelf nog wat gaan opfrissen in Den Heksenketel. De combinatie van frappucino en witpint, smakeloos Amerikaans consumentisme en Vlaamse bourgondische gastvrijheid, vroeg om een gedegen poetsbeurt van mijn mond. Pas dan zou mijn vakantie écht kunnen beginnen. Maar opeens dacht ik aan Den Heks met haar ene tand en besloot toch nog even te wachten met het vragen van de rekening. De kelner zou zo een forse fooi van mij ontvangen, als ik nou maar eerst eens eindelijk een beetje tot rust kon komen. Ik sloot mijn ogen en alles begon te draaien.
 
-To be continued...-
Lees meer...   (3 reacties)
  
De afgelopen drie dagen was ik in Antwerpen. Op vakantie, zou je kunnen zeggen. Ik had slechts twee dagen voor mijn vertrek besloten dat een reisje mij wel goed zou kunnen doen. Met de trein naar onze zuiderburen is natuurlijk een peulenschil, daar hoeft niets voor gereserveerd te worden. En ook een jeugdherberg is zo geregeld. Naast twee schone onderbroeken, twee paar sokken, twee t-shirts, een vest, een jas, een handdoek, een paspoort, een portemonnee, een tandenborstel, tandpasta, zeepje, deo, twee boeken, wat tijdschriften, een iPod, een koptelefoon, mobieltje, oplader, een opschrijfboekje en een pen hoefde ik bovendien niets mee te nemen. Dat was snel ingepakt. En Antwerpen is natuurlijk een leuke stad, met mooie gebouwen, lekker eten en vriendelijke mensen. Die vakantie van mij leek dus een peulenschil. Maar nooit eerder was ik op reis geweest zonder reisgenoten. Als kind ging ik op vakantie met mijn ouders. Later met vrienden. En weer later met geliefden. Maar nu was ik alleen. Niet dat er nu een grote uitdaging voor me lag. Ik ben niet een man van uitdagingen en hoop dat ook nooit te zullen worden. Bah, wat heb ik een hekel aan mensen die hun grenzen willen verleggen. Om daar vervolgens anderen mee te vervelen. Nee, als ik in mijn eentje met een knapzak naar Bolivia was vertrokken had ik daarover gezwegen. Juist het kneuterige van een zelfexpeditie in Antwerpen – met een reiskoffertje in een hostel tussen backpackers, met een opschrijfboekje aan een tafel in een sjiek restaurant, waar ik de duurste dingen van de kaart uit zou kiezen – maakt mijn verhaal er eerder een van iemand die zich er al lang bij heeft neergelegd dat grenzen niet verlegd kunnen worden, en men maar beter uit dat begrensde gebied kan halen wat er in zit, omdat het alles is waar je het mee zal moeten doen.

Het hostel waar ik zou verblijven heette Den Heksenketel en was volgens de site (zie hier) ‘hét folkpodium en -café van Antwerpen’ en - volgens dezelfde site - naar een onderzoek uit 2005, 'één van de beste 10 jeugdherbergen wereldwijd'. Ook zouden er poppenkastvoorstellingen rond het vaste personage ‘Robbie den zatte folkie’ te zien zijn. Ik citeer de site: ‘Wie nog niet gehoord heeft van Janus de gladde manager, Hete Mie, de gefrustreerde organisator en de andere personages mag de volgende voorstellingen zeker niet missen.’ Daarnaast lag het hostel in het midden van de stad, op de hoek van de kathedraal, en kostte een verblijf per nacht slechts vijftien schamele euro’s. De avond voor mijn vertrek kwam een goede vriendin films bij me kijken. Lachend vertelde ik dat ik de komende dagen in een plek genaamd Den Heksenketel zou verblijfen. Tot mijn schrik bleek zij het te kennen en er ook weleens te hebben overnacht. Ik verbood haar er ook maar iets over kwijt te laten, ik wilde dat Den Heksenketel voor mij een verrassing zou blijven tot de volgende dag. Maar een deel van het avontuur was nu al verpest, aangezien deze herberg nu algemeen bekend in mijn vriendenkring bleek te zijn en daarmee niet langer een exotisch product dat ik eigenhandig zou ontdekken.

Zonder enige twijfel ontleende het hostel zijn naam aan de eigenaresse ervan. De vrouw die de gigantische granieten deuren van dit piepkleine verblijf voor mij open deed – en op een reusachtige zwijgzame klusjesman na het hele gebeuren in haar eentje leek te beheren – was een kettingrokende dwerg met een snor en slechts één tand in haar mond. Rochelend en spuwend leidde ze mij naar verschillende tussendeuren die elk een eigen toeganscode bleken te hebben. Die code’s schreef zij voor mij op een memo-blaadje dat zijn plakrand al lang geleden verloren had. Nadat ik haar erop wees dat ik tien euro te weinig wisselgeld had terug gekregen van het voorschot dat ik voor mijn verblijf moest betalen, schudde ze met haar hoofd en mompelde iets over Hollanders. Dat het folkpodium en –café momenteel niet in gebruik waren had ze me reeds verteld (‘gij moogt wel uw eigen pintjes meenemen naar het café en het gebruiken als zijnde een living’), naar de poppenkast durfde ik niet te vragen. De traptreden in Den Heksenketel waren zo groot als mijn tenen en sommige zaten los. Ik besloot de komende avonden uit te kijken met alcoholische consumpties, want ik wilde hier toch niet dood aangetroffen worden. Ik deelde mijn kamer met vier Duitse punkers, waarvan een net zijn piemel in een flesje bier had gestoken toen ik binnenkwam. Ik koos voor de onderste verdieping van het stapelbed dat het dichtst bij de deur stond en legde daar mijn koffertje op. Uit het koffertje haalde ik mijn schoudertas met portemonnee, boeken, koptelefoon en iPod, om Den Hekstenketel in de grootste vaart die de traptreden mij toelieten weer te verlaten.

-To be continued...-  
Lees meer...   (1 reactie)
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl