kasblog.punt.nl
Alleen in Antwerpen #3
Toen ik mijn ogen open deed was de zon doorgebroken. Ik rekende af en verliet het terras. De vieze smaak was uit mijn mond verdwenen, maar toch liep ik naar Den Heksenketel, omdat ik immers mijn mond een beloofde poetsbeurt niet zomaar ineens kan gaan zitten weigeren. Beloofd is beloofd, zoals men wel eens zegt. Om de steile trappen te beklimmen, moest ik langs het bureau van Den Heks heenlopen. Die zat daar achter een antieke computer en een overvolle asbak een potje te hoesten. Het slijm dat ik haar naar boven hoorde halen leek ik mij niet bepaald van recente datum. Ik zei haar gedag, maar zij riep me na. ‘U heeft al betaald?’ ‘Ja,’ zei ik, ‘u vergat me toen een tientje terug te betalen, weet u nog?’ ‘Ah ja’, lachte ze haar ene tand bloot. Die tand bewoog, hij zat heel erg los. Spoedig zou Den Heks tandloos zijn. Tot die tijd had zij één tand en die bewoog. De Duitsers waren niet meer op de slaapzaal, maar hun troep lag overal. Pas na een tijd zag ik het meisje dat bovenop een van de stapelbedden met een gameboy aan het spelen was. Ik wilde haar niet uit haar concentratie halen, maar het leek me ook raar haar niet te groeten. We waren de enigen in de kamer. Ze reageerde niet op mijn hallo, ze zag me waarschijnlijk niet eens. Ik vermoedde dat haar lange ravenzwarte haren oordopjes verborgen waarmee ze haar computerspel van een soundtrack voorzag. Een geurboeket van nootmuskaat en geitenschijt kwam haar speelhoek uitwaaien. Vermoedelijk Antwerpse wiet. Terwijl ik mijn tandenborstel uit mijn koffertje haalde kreeg ik een sms. Het was mijn vriendin die mij vroeg of ik wel naar 'zurenborg' zou gaan om in de 'kogels osilei' 'ons toekomstige huis' te zien. Ik wist bij god niet waar ze het over had, dus dat stuurde ik haar maar terug. Toen verliet ik de slaapzaal, om een trap te beklimmen die nog steiler was dan alle vorigen. De Heks had mij laten zien dat, om in de badkamer te kunnen komen, ik eerst door een andere slaapzaal heen moest. Daar lag iemand heel hard te snurken. Er kwamen viezige vette dreadlocks uit de slaapzak vandaan, wat geen enkele indicatie van het daarbij behorende geslacht kon geven. Ik vind backpackers seksloze wezens. Schijnbaar grensoverschrijdend, maar op hun eigen manier volstrekt bekrompen. Ze onttrekken zich aan de menselijke plicht iets van zichzelf te maken en verplaatsen eigenlijk alleen maar stank. Toch houd ik van hen, op mijn eigen wildvreemde wijze. Ik zou graag bij zo’n geslachtloze stinkerd in de slaapzak kruipen, om op het ritme van zijn of haar gesnurk stukjes van het behang af te krabben. In plaats daarvan ging ik mijn tanden poetsen. De badkamer was brandproper, dat dan weer wel. Ook het luxeuze ligbad was in schril contrast met de rest van het verblijf. In dat bad zou ik morgen met mijn blote voeten moeten staan om te douchen. Liever schimmel dan slippers. Van slippers krijg ik kramp in mijn tenen, vraag me niet waarom. En het voelt gewoon onnatuurlijk, mezelf schoonspoelen met plastic schoeisel aan. Er had vermoedelijk net nog iemand in dat bad gelegen; er lag wat schuim op de bodem en het rook er warm. De verleiding om onbekende kastjes met een onbekende inhoud open te doen kan ik nooit weerstaan. Er lag een collectie van producten die mensen van over de hele wereld hadden meegenomen, soms met hun naam erop geplakt. Waarschijnlijk hadden vele wereldreizigers hun zoektocht naar zichzelf voortgezet zonder tandenflos, haarwax, deostick of okselcrème. Pincetten om de beesten uit de dreadlocks tussen hun benen weg te pikken en in het ligbad te laten vallen. Die spullen zouden nu voor eeuwig in Den Heksenketel blijven en niemand zou ze ooit aan durven raken, die tubes en potjes met vreemde namen erop gekrabbeld. Een zoektocht naar jezelf laat sporen achter. Maar ik hoef mezelf niet zo nodig te zoeken, daarvoor was ik niet in Antwerpen. Ik zou hier geen sporen achterlaten, ik was hier nooit geweest. Toen ik uitgepoetst was, spoelde ik de borstel schoon met water en stak hem in mijn broekzak. Met de kop naar buiten kijkend, om geen vlek te creëren. Mijn kleine broekzaktoerist kreeg een gratis rondleiding via de steilste trap ter wereld, om daarna weer in zijn oude kofferwoning te verdwijnen. Het meisje met de zwarte haren was nog steeds druk aan het spelen op haar gameboy, terwijl ze met haar vrije hand een puistje uitkneep. Ik verliet de kamer weer, zonder dat zij doorhad dat ik er ooit geweest was.

Weer moest ik De Heks passeren, maar dit keer hield ze haar mond gelukkig dicht. Buiten was het nog steeds heel zonnig. Ik zou de binnenstad van Antwerpen gaan verkennen en daarna een lekker hapje eten. Op de weg zou ik niet te hoeven letten. Vandaag kon ik naar hartelust verdwalen. Tijd had ik genoeg en ik hoefde met niemand rekening te houden. Ik verdwaal altijd en overal. Zelfs in Amsterdam, waar ik nu al ruim zeven jaar woon, weet ik nog vaak de weg niet te vinden. Ik sta erom bekend. Mijn vakanties met vrienden en geliefden kregen vaak een enorm oponthoud doordat ik iets alleen moest doen (bijvoorbeeld sigaretten voor ze kopen) en vervolgens de weg terug niet meer kon vinden. Heel wat Franse landweggetjes en Spaanse campings ben ik langs gestruind, met de knagende irritatie dat ik alle vooroordelen over mij weer eens aan het bevestigen was en bij god niet wist hoe het ooit nog goed met mij zou kunnen komen. Maar nu maakte dat allemaal geen zak meer uit. Antwerpen was geen Frans landweggetje en evenmin een Spaanse camping. Ik hoefde geen weg te vinden en er waren geen mensen op mij aan het wachten. Ik zou ervan kunnen genieten. Maar godverdomme, waarom lukte het mij nou niet te verdwalen? Ik deed echt mijn uiterste best en sloeg een wirwar van straten in en een kluwen van blokjes om, maar steeds weer kwam ik uit bij die verdraaide kathedraal. Het zou toch niet waar zijn, dat ik mijn vermogen om te verdwalen was verloren en daarvoor in de plaats in een ‘loop’ terecht was gekomen? Een soort Groundhog Day, maar in plaats van steeds dezelfde dag mee maken, niet meer van een plek kunnen ontsnappen? Zo, denk je eindelijk een beetje verdwaald te kunnen zijn, is-ie daar weer. Kutkathedraal. Zo kwam ik toch nergens? En wat deed ik hier eigenlijk, in Antwerpen? Niet op zoek naar mezelf, dat wisten we al. Maar wat dan? Lekker op vakantie? Kom op zeg. Toen ik alle hoop had opgegeven om ooit nog van de Kathedraal los te komen, ging ik maar pal voor de Kathedraal op een bankje zitten. Of ik mij hiermee bij mijn lot neerlegde, of juist een laatste poging deed het te tarten, of het lot te tarten door me erbij neer te leggen, dat wist ik zo net nog niet, maar het leek het verstandigste idee dat ik op dat moment kon bedenken. Rustig las ik daar mijn boek tot het avond werd, slechts eenmaal gestoord door twee Engelse meisjes die mij vroegen of ik wist waar een seksshop was. Natuurlijk wist ik dat niet, ik was er althans geen tegengekomen en zelfs als dat wel zo was zou ik het niet kunnen uitleggen. Alle wegen leiden naar de Kathedraal, dat zou ik kunnen zeggen. Maar ik zei dat ik ook onbekend was hier en de meisjes liepen weer vrolijk verder. Ik probeerde verder te lezen alsof er niets gebeurd was, maar het voorval irriteerde me. Kon je zomaar aan iemand vragen waar een seksshop was? Wellicht, maar dan toch niet zonder enige vorm van gêne. Gespeelde gêne op z'n minst, voor de vorm. Bestond er dan geen enkel fatsoen meer? Of kwam ik over als zo iemand aan wie je maar alles kan vragen? Had ik de meisjes misschien ingebeeld? Of zij mij?

Toen ik mijn boek eindelijk uit had, besloot ik op zoek te gaan naar een hapje eten. Fritkot Max zag er aantrekkelijk authentiek uit. Een klein zaakje met één tafel om aan te zitten en één stoel om op te zitten en achter de toonbank twee potige kerels, waarvan een wel vermoedelijk de naam Max zou hebben. En dan was er nog een lange tafel met daarop zestien emmers verschillende saus, die je naar believen op je frieten spuiten kon. Ik bestelde een ‘Menu Max’, dat bestond uit een portie frieten en twee curieworsten. Dit kostte twee euro negenennegentig. Het werd me al snel duidelijk dat de man die mij hielp niet Max was, maar zijn achterlijke neef. Moeizaam doorzag hij de kassa, op zoek naar een cent. Ik had hem immers drie euro gegeven, dus ik zou nog wisselgeld moeten krijgen. ‘Is al goed hoor,’ zei ik, ‘zie dat maar als fooi.’ De curieworsten bleken een soort dikke slappe bleke frikadellen te zijn. Ze maakten een teneergeslagen buiging als ik een hap probeerde te nemen. Ik doopte ze in de verschillende sausen die ik op mijn bord gespoten had en die namen hadden als ‘andulica’ en ‘american’. De frieten leken helemaal niet op Vlaamse frieten zoals die in Nederland verkocht worden. Die zijn altijd dik en slap, eigenlijk net als die worsten. Maar deze frietjes waren klein en knapperig. Eigenlijk zoals ik ze het lekkers vindt, maar daar ging het nu niet om. Worden we in Nederland collectief voor de gek gehouden waar het Vlaamse frieten betreft? Of was ik in het verkeerde frietkot beland, ondanks de schijnbare authenticiteit?

Ik dronk nog een paar biertjes op een terras, terwijl ik aan het tweede boek begon dat ik bij me had. Het was nog maar half negen, maar ik was al erg moe. Van alle wandelingen van Kathedraal naar Kathedraal, vermoedelijk. Ik zou Den Heksenketel maar weer eens op gaan zoeken, morgen kon ik er nog een lange dag van maken. En nu ik meteen mijn bed in wilde rollen, raakte ik verdwaald. Dat wil zeggen, ik kwam steeds weer bij de Kathedraal terecht. De Kathedraal leek vervuld te zijn met zelfingenomen ironie; het grijnsde naar me elke keer dat ik er tegenaan liep. Ik probeerde me te concentreren op De Tand van De Heks, misschien dat dat zou helpen. De Kracht van de Kathedraal kon daar toch nooit tegen opgewassen zijn? En inderdaad vond ik even later De Pelgrimssteeg, waar Den Heksenketel gevestigd was. Nu moest ik de code intoetsen, om de loodzware deuren open te kunnen krijgen. In mijn portemonnee zat het verlopen memo-briefje waar Den Heks alle codes op genoteerd had. Maar welke code hoorde nu bij welke deur? Ik probeerde ze allemaal en bij een ervan ging er een groen lichtje branden. Dat moest hem dus wel zijn. Toch kreeg ik de deur niet open. Ik probeerde het nog een keer en nog een keer. Moest ik die knop nou naar links of naar rechts draaien? Ik wilde het nog eens proberen, toen de deur open ging. Het was het meisje met de gameboy, vergezeld van twee van de vier Duitse punkers en een iele jongen die ik nog niet eerder had gezien. Zij gingen waarschijnlijk nu de hort op. Ik groette ze en het meisje zei iets terug dat Russisch klonk. Had ze mij herkend? Ik ging nog even zitten in het 'folk-café' dat gesloten was maar als ‘living’ gebruikt kon worden. Er brandde één doffe lamp en het zag eruit als een spookkasteel, met een handpop (vermoedelijk Robbie) tegen een doffe spiegel geleund. In een hoek zat De Reus, die ik eerder op de dag het plafond had zien schilderen. Wij waren de enigen. Ik pakte een tijdschrift van de stapel die daar lag en probeerde de schijn te wekken dat ik het las, maar dat was meer een camouflage omdat ik niet voor me uit kon gaan zitten staren. Zodirect zou De Reus een gesprek met mij gaan beginnen en daar had ik nu geen zin in. Ik rookte een laatste sigaret en zou dan gaan slapen. Toen ik op mijn telefoon keek om te zien hoe vroeg het eigenlijk wel niet was zag ik dat ik een sms’je gekregen had. ‘Eerstgenoemde is een buurt, laatstgenoemde is een straat daarin. ’t is jugendstil en art nouveau. Prachtig! Koop een plattegrond en ga erheen! Dit kun je vinden, heus... Liefs’ Hoera, morgen zou alles anders zijn! Want morgen had ik een Doel. Een onbekende buurt, een toekomstig huis. Nu kon ik rustig gaan slapen.
 
-To be continued...-

Reacties

Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Je Punt profiel
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl