kasblog.punt.nl
Alleen in Antwerpen #4
Ondanks mijn immense moeheid kon ik lastig in slaap vallen. Ik was de enige in de slaapzaal, de anderen zouden vast tot in de kleine uurtjes feesten. Toen ik op het bed ging liggen leek ik wel een halve meter naar beneden te zakken, de constellatie van het stapelbed kraakte aan alle kanten. Zou er later iemand boven mij komen te liggen? Zou die persoon door het bed kunnen zakken en mij verpletteren? Het was helemaal stil, op het luidkeels rochelen van Den Heks na. Als het nou een onbeschoft rochelen was geweest, had ik er nog misschien mee kunnen slapen. Maar er leken helse pijnen mee gemoeid te zijn, alsof er een varken naar het slachthuis werd gebracht. Als ik mij naar rechts draaide had ik het gevoel dat zij in m’n gezicht hoestte. Ik zou toch hier toch niet Den Heksengriep oplopen? Als ik op m’n linkerzij lag had ik het gevoel dat ze in m’n nek hoestte. Elke keer dat ik mij omdraaide had ik het gevoel dat de hele boel in zou kunnen storten. Uiteindelijk viel ik op mijn rug in slaap.
 
Toen ik wakker werd zag ik Den Heks stapeltjes van dekentjes vouwen. ‘Goedemorgen,’ zei ik. Ze lachte haar ene tand bloot. De kamer was felverlicht en op ons na verlaten. ‘Gij hebt een goede slaap gehad?’ vroeg ze alsof ze van meer wist. Maar ondanks alles leek ik nog nooit zo uitgerust te zijn. ‘Jazeker,’ zei ik. ‘Maar hoe laat is het? Heb ik het ontbijt gemist?’ ‘Nee, gij kunt nog aanschuiven’, zei ze en ze hervatte haar vouw-bezigheden. Met veel gedoe trok ik mijn broek onder de deken aan, zodat Den Heks mij niet in mijn ondergoed zou zien. Toen ik op mijn mobiel keek bleek dat ik twaalf uur geslapen had.

Het licht in de badkamer was stuk. In de duisternis douchte ik de slaap van mijn lijf. De douche was heerlijk, maar ik kon overal in staan. Gisteren had het ligbad er brandschoon uitgezien, op wat schuim op de bodem na. Maar stel nou dat er iemand in had gepoept? Of er een miskraam er in had gehad? Stel nou dat ze het licht expres kapot hadden gemaakt, omdat ze geen zin hadden die smerige bende op te ruimen?

Op de ontbijttafel lagen een thermosfles koffie, sneetjes brood in een mandje en potten met chocopasta. Drie wereldreizigers waren met elkaar in gesprek over bestemmingen, een van hun was de iele jongen die ik gister de deur uit had zien komen. Ze waren niet aan het ontbijten, maar leken elk moment op stap te kunnen gaan. De koffie was lichtbruin water, het brood prehistorisch en de chocopasta een klomp zwarte boter. Ik verliet Den Heksenketel zo snel als ik kon, op zoek naar echte koffie en een echt ontbijt. Buiten was het heerlijk weer en ik vond een leuk terras. Dit leek een echt volkscafé te zijn. Op het terras zat niemand, binnen zat het vol. In België mag je nog gewoon in café’s roken en dat gebeurde hier dan ook volop, de hele kroeg stond blauw. Het was nog geen middag, maar iedereen zat aan het bier. Jong en oud, man en vrouw. Grote pullen pint. Zouden ze hier wel koffie hebben? Het stond op de kaart, dus bestelde ik het. Een vrouw met een vlekkerig schort pakte een kan en schonk een grote mok vol. Achter haar hing een bord met daarop de tekst: ‘Wie hier werkt moet wel een beetje gek zijn’. Of iets in die trant. Eigenlijk had ik het op moeten schrijven, zoals ik zoveel teksten op had moeten schrijven die ik in Antwerpen tegenkwam. Op uithangborden die aan winkels hingen en schoolborden die voor restaurants stonden. Iedereen probeert namelijk zo gevat mogelijk te zijn om de aandacht te trekken. Het grote verschil tussen Nederlandse en Vlaamse humor, is naar mijn idee dat Vlamingen niet zo bang zijn om niet grappig gevonden te worden. Daardoor durven ze meer. Nederlanders hebben toch altijd een arrogante houding tegenover flauwigheid. Als hun grap er niet voor zorgt dat zij voor eventjes de grappigste persoon ter wereld zijn, voelen ze zich meteen gigantisch voor lul staan. Daarom zijn wij Hollanders zo gek op ironie. Door een dubbele laag in een mop te verwerken (‘deze is eigenlijk te flauw voor woorden, maar ik doe dan ook een imitatie van iemand die flauwe moppen tapt en dát is de werkelijke clou, dat is waarom we eigenlijk lachen’) voelen we ons onfeilbaar. Ironie is een veiligheidsgordel voor de onzekere grappenmaker, voor wie neerkijkt om de simpele puurheid van een goede grap. Vlamingen voelen zich niet te goed voor een goede grap die zichzelf rechtvaardigt. Daarom kunnen ze in een kroeg waar men de dag begint met pullen pint en iedereen z’n rotte tanden bloot lacht zo’n bord ophangen. Maar wat ben ik nou weer van alles aan het theoretiseren? Die ‘koffie’ hier was net iets minder waterig dan de ‘koffie’ in Den Heksenketel, maar daar was dan ook alles mee gezegd. Alvorens mijn queeste naar mijn toekomstig huis aan te kunnen vangen, moest eerst aan de queeste naar cafeïne voldaan zijn. Anders kwamen we natuurlijk nergens.

Uiteindelijk kwam ik bij een hip uitziende wafelbar, gerund door twee Hollanders die mij geliefden dan wel broeders leken. Hier stond zowaar espresso op de kaart en ik bestelde een dubbele, ook ik kan mij immers niet altijd aan een dubbele schuimlaag onttrekken, ook ik dek mezelf graag in. Dit etablissement met z’n pasteltinten en chromen tafeltjes was wel in alles zo het tegenovergestelde van de volkskroeg waar ik zonet nog was, dat ik door melancholie overvallen werd. Waar wilde ik bijhoren? Waar kón ik bijhoren? Maar ach, ik kon nu tenminste wel wakker worden. Ik begon verder te lezen in mijn boek, gezeten op de straathoek waar de wafelbar een tafel en een stoel had neergezet voor het comfort van mensen zoals ik, pseudo-toeristen die met of zonder ironisch schuldgevoel van goede koffie durven te genieten. Of zou de kwaliteit van koffie slechts een kwestie van gewenning zijn en mensen hier oprecht genieten van water met een koffiesmaakje? Waarschijnlijk was niemand ermee bezig, men dronk bier of zeikte niet. Ik bestelde nog een espresso, een enkele ditmaal bij wijze van final shot. En ik bestelde er een wafel bij, het was immers een wafelbar en afgezien van het oude brood met choco-klomp in Den Heksenketel had ik nog niets gegeten. Toen ik naar mijn idee wel weer uitgeontbeten was liep ik naar binnen en vroeg aan Den Hollanders of zij wisten hoe ik in Zurenborg kon komen. Zo bemoedigend als mijn vriendin mij gesms’t had dat zelfs ik het zou kunnen vinden, zo ontmoedigend keken zij me aan. Ja, dat zou een hele onderneming worden. Het beste kon ik eerst naar het station gaan en daar een trein pakken. ‘Ach, ik heb de hele dag de tijd’ lachte ik verontschuldigend. De mannen groetten mij beleefd en ik liep stralend en onbevreesd naar het station, het avontuur tegemoet.

Op het station liep ik naar een loket voor toeristen-informatie. De man gaf mij een kaart en liet me zien hoe ik moest gaan. Naast het station ging een tram en met een paar haltes zou ik er zijn. Het viel me tegen hoe makkelijk mijn uitdaging volbracht zou zijn. Ik had me uitgedaagd gevoeld door Den Hollanders, die mij het gevoel hadden gegeven dat ik mezelf iets op de schouders had gehaald. En het beviel mij goed om iets op mijn schouders te dragen. Maar misschien hadden ze een hekel aan Zurenborg, begrepen ze niet wat ik daar wilde doen. Misschien hielden ze niet van Jugendstil, of ze hadden mij een vreemde vogel gevonden. Ze hadden zo aardig gedaan, maar misschien was dat wel ironie. Een dubbele laag, net als hun dubbelzinnige homo-erotische broederschap. Wellicht had ik nooit op zoek moeten gaan naar goede koffie en meteen beginnen met bier, net als alle anderen. Het zou wellicht een hoop gescheeld hebben. Omdat ik mij er niet zo makkelijk vanaf wilde maken en ik hier toch stond, vroeg ik maar aan de meneer waar de befaamde Joodse wijk eigenlijk was. Maar dat viel ook nogal tegen, dat was namelijk naast het station. Zo bleef van een avontuur natuurlijk bar weinig over. Zou ik anders de kaart die de meneer mij gegeven had en waar hij met een pen precies had aangegeven hoe ik moest lopen weggooien in een prullenbak en weer eens proberen te verdwalen? Maar dat had ik gisteren al gedaan, ik zou onvermijdelijk toch weer bij Den Kathedraal terechtkomen. Al nam ik dertig haltes, of voor mijn part de trein naar Brugge.

De Cogels Osylei was inderdaad zo mooi als mijn geliefde had beloofd. Een adellijke straat met statige sprookjesachtige door bomen omgeven huizen. Maar welke was nu onze toekomstige? Of had mijn vriendin helemaal niet een specifiek huis bedoeld, maar meer dat ons toekomstige huis wel in deze straat zou moeten staan? Wel, het was inderdaad allemaal prachtig. Maar de straat was niet bepaald lang en na een paar keer er doorheen te zijn gelopen had ik het ook wel weer gezien. Bij een verlaten rotonde stond een hip maar verlaten terras. Daar dronk ik een paar biertjes en las verder in mijn boek. Inmiddels kreeg ik zonder problemen ‘pintje’ mijn mond uit. Gisteravond was ik erachter gekomen dat het domweg het enige woord is dat je zeggen kan wanneer je een normaal glaasje bier wilt. De kroeg waar ik naartoe ging nadat ik Fritkot Max verlaten had om een slaapmutsje te pakken werd bevolkt door jonge alternatievo’s en de Yeah Yeah Yeahs werden er keihard gedraaid. Het hele dilemma eerder op het terras, met de twee Pulp Fiction-imitators achter mij, was ik even helemaal vergeten. Ik had gewoon trek in een biertje. Maar de barjongen begreep mij niet. Ik bleef herhalen dat ik een biertje wilde en ik zag aan zijn uitdrukking dat hij me echt probeerde te begrijpen, in alle onschuld. Het was geen test, hij wilde me juist graag helpen. Toen corrigeerde ik mezelf. ‘Een pintje graag.’ Het was mij toen duidelijk geworden dat ‘pintje’ geen exclusiviteit of eigenheid pretendeert. Het is geen slang of dialect. Het is gewoon het Vlaamse woord voor ‘biertje’, een ander synoniem is alleen maar verwarrend. Ik kon mezelf wel voor de kop slaan, waarom maakte ik in godsnaam toch altijd overal zoiets ingewikkelds van? Maar goed, vanaf nu bestelde ik dus gewoon een ‘pintje’ wanneer ik bier wilde. En het ging me als vanzelfsprekend af. Je kan van die dingen wel een hoop mentaal gedoe maken, maar het went eigenlijk belachelijk snel. Dus ik dronk wat pintjes op dat terras en vervolgde daarna mijn voettocht door Zurenborg. Na een aantal straten te zijn ingeslagen en de gebouwen enigszins soberder werden, leek het me toch gelukt te zijn om een beetje het gevoel te krijgen verdwaald te zijn. Ik zag een vergeelde aanplakposter van de Socialistische Partij. Degene die er op stond leek precies op Agnes Kant, maar dan met een snor. Ik dacht er ineens aan dat Agnes Kant een snor ook goed zou staan. Vreemd eigenlijk dat ik daar nooit eerder aan had gedacht.

Toen ik dacht echt verdwaald te zijn en een gelukzalig gevoel mij overmeesterde kwam ik terecht bij de halte van de tram terug naar het station. Voor de trammetjes in Antwerpen lijkt het woord ‘schattig’ uit te zijn gevonden. Ik liep door de Joodse buurt. De orthodoxe mannen met hoeden en luizenbuizen brachten mij in een goede stemming, evenals de vele juweliers met hun pralende etalages. Op een gegeven moment betrapte ik mezelf erop dat ik nergens meer aan dacht. Zou het zo voelen om normaal te zijn? Ik kwam in een park terecht en ging daar op een bankje zitten, luisterde naar mijn iPod op shuffle en vond alle muziek die voorbij kwam even mooi. Na een uur heerlijk te hebben gezeten liep ik terug naar Den Kathedraal. Nu ik eindelijk helemaal los had zien te komen van dat gebouw, zou ik Hem alles vergeven en Hem eens met een bezoekje van binnen vereren. Ik gaf mezelf een rondleiding langs alle schilderingen en objecten, las alle borden die erbij stonden uitvoerig. Ik krijg altijd wat pleinvrees van megalomane ruimtes, als ik naar boven keek begon ik te duizelen. Bij het station van Antwerpen had ik dat ook gehad, terwijl ik met de oneindige roltrap naar boven werd vervoerd. Maar ik genoot van het gevoel, vandaag was alles goed. Ik had goed de toerist uitgehangen, vond ik zo. Nu nog een plek vinden om een lekker hapje te eten. Ik had overal borden zien staan met daarop reclame voor asperges. 'Asperges op Vlaamse wijze.' 'Asperges met gerookte zalm.' 'Asperges met gerookte spek.' 'Asperges met asperges', etc. Het asperge-seizoen was zeker net aangebroken. Die dingen hou ik normaal nooit bij, maar ik werd er nu nogal mee geconfronteerd. En ik ben dol op asperges, laat daar geen misverstand over bestaan. Maar doordat ik op elke straathoek het woord 'asperge' las, kreeg ik opeens een godsgruwelijke hekel aan deze groente. Er leek mij niets bijzonders meer aan. Een vervallen zaakje was zelfs zo desperaat geweest om een papier op hun raam te plakken met daarop met een stift gekrabbeld: ‘Ook hier asperges!’ Ik ging op een terras zitten van een sjiek restaurant en bestelde daar een duur drie-gangen-diner. Garnalenkroketten, stoofvlees, profiterole. 'U wilt onze asperges niet proberen, meneer? Dat is de specialiteit van de dag en ze zijn overheerlijk.' 'Nee, dank u. Ik ben allergisch voor asperges.'
 
Ik probeerde zo lang mogelijk over mijn eten te doen, zoveel mogelijk van het diner te genieten. Ik was nog nooit met mezelf uit eten geweest en voelde me heerlijk excentriek, al zag ik er waarschijnlijk gewoon uit als een etende man. Bij het eten dronk ik zwaar Belgisch bier. Ik merkte dat ik er snel aangeschoten van raakte en bestelde daarom een dubbele espresso bij mijn dessert, om een beetje te kunnen ontnuchteren. Ik moest immers nog de trappen van Den Heksenketel beklimmen. Mijn koffie arriveerde niet bij mijn dessert en toen het er een half uur later nog niet was, vroeg ik er de ober naar. Hij verexcuseerde zich, er moest iets mis zijn gegaan bij de bestelling en het koffieapparaat was inmiddels uitgezet. Maar ik kreeg een pintje van de zaak, om het goed te maken. Dat durfde ik niet te weigeren. Dus opeens zat ik met nog zo’n enorm glas voor mijn neus met loodzwaar bier. Ik dronk er met kleine nipjes van en deed er uiteindelijk een uur over voordat het glas was leeggedronken. Al die tijd dacht ik nog steeds aan niets. Ik keek naar de mensen die over het plein liepen en de mensen die om mij heen van hun eten en drinken genoten. Langzaam werd het donker. Morgen zou ik weer naar Amsterdam vertrekken en wie zou ik dan zijn? Dat kon niemand weten en dat maakte het eigenlijk volstrekt onbelangrijk. Ik was naar Antwerpen gekomen om het donker te zien worden en daarna weer licht, de rest is bijvangst. Vergeet daarom alles wat ik gezegd heb. Vergeet alles, bijna alles. Ik kan mij niets meer herinneren. In Antwerpen ben ik nooit geweest.

- The End -

Reacties

De Buuv op 24-05-2009 15:02
Mooi is dit. Ik zou je bijna kudos geven als ik zeker wist dat het geen SOA was.
keez op 25-05-2009 00:32
hmmm...mooi kas,
 
'Ironie is een veiligheidsgordel voor de onzekere grappenmaker'
is er weer een om op een tegeltje te zetten.
 
Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Je Punt profiel
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl